Afscheid

Ik blijf maar denken aan die backhand, aan die steengroeve van kunst. Drie dagen na het bruuske afscheid van Justine Henin kom ik toch weer terecht op Roland Garros. Waar een klein, gekarteld meisje, het herderinnetje in elke oorlogsfilm, zich naar haar eerste titel mepte. Om tijdens de ceremonie protocollaire haar moeder in de hemel aan te roepen.

Topsport als veredeld kinderverdriet.

Justine Henin: je durft er niet te lang naar te kijken, bang dat ze breekt. Krom, gestuikt, niet één heup om u tegen te zeggen, en toch de mooiste bloem in het tenniscircuit van de laatste tien jaar. Dat ze zelfstandig op eigen benen kon staan, was al tegen de wetten van de genetica in. Bij elke smash dacht je: waar is het lijf? Waar komt die kracht vandaan? Zou ze wel gewrichten en spieren hebben? Tennisster gebouwd voor de onderduik.

De nummer één van de wereld.

Met een panache die EddyMerckx nooit heeft gekend. Met een verslaving aan succes waar Cruijff, Van Basten en Bergkamp niet eens weet van hebben. Bergwandelaars op noppen.

Justine Henin was oorlog, vooral in en met zichzelf. Misschien wel de nobelste vorm van terrorisme. Altijd bereid zichzelf op te blazen, en waarom? Om zichzelf te zijn. Er kon niet veel misgaan. De ballen die ze sloeg kwamen toch al vanuit een open ruggetje. Nooit eerder had ik onvolmaaktheid zo mooi gezien. Justine sloeg het onaffe gewoon van zich af met een soms bovenaardse sierlijkheid.

Schroeiballen uit een fluwelen hand.

Haar afscheid was een rotsachtige bedoening. Toefje rouge op de wangen, dat wel. Voorzichtig stiftje op de lippen, dat ook. Ogen die weer eens ruimte boden aan rondrazende pupillen. Aan het diepe verlangen om weer eens normaal te menstrueren, zoals meisjes van 25 doorgaans doen.

Maar verder: geheel vrij van erbarmen en mededogen maakte Justine van het afscheid een abstractie. Alsof het over een ander ging. Misschien wel over een overzeese tante die aan palmbomen meer dan genoeg Wimbledon had. En Adidas. En Peking. Terwijl zij toch tien jaar lang bejubeld is door regeringsleiders, bobo’s en collega’s. Nu meer dan ooit. Roger Federer sprak van een drama. Jacques Rogge voelde zich verdrietig, ja zelfs lichtjes geamputeerd in zijn olympische noblesse. De zusjes Williams, rabiate tegenstanders van Henin, waren nog net niet in de rouw. Belgische en zelfs Vlaamse ministers hadden het over een historisch verlies. Nou, in dit requiemgevoelige land wil dat wat zeggen.

Ik ken niemand die zo vaderlandloos was als Justine Henin. Eddy Merckx meende nog een tweetalig huwelijk te moeten sluiten: oui en ja. Met dat soort imagotrucjes was Henin absoluut niet bezig. Zij bleef stoïcijns van Wépion: robuust eentalig op het thuisfront, meertalig in de wereld van het circuit. Zij kon het zich permitteren: ook Vlamingen waren verpletterd door haar raffinement en gratie. Daar hoefde geen taal bovenop.

Justine Henin was, op haar vijfentwintigste, eerder uitgevreten dan volgevreten. Ze had zichzelf gesloopt, fysiek en mentaal. En het vangnet van liefde dat ze in gedachten had, gaf niet thuis. Alleen aan de top, alleen op CNN, alleen aan het ontbijt, ook nog alleen in de roes van de zoveelste grandslam. Altijd alleen.

Ineens had ze genoeg van ijdelheid en zweet, van ballenjongens en sponsors, van banaan. Drastisch als steeds, besloot ze om rigoureus te kappen met glorie en verlangen. Met Roland Garros en de US Open. Ze zei dat ze nu wel eens vrouw wilde worden. Eigenlijk zei ze in dat schielijke maar sublieme afscheid: bemin mij.

Het laatste doe ik van harte.

Kan België deze onthoofding nog wel hebben? Vorig jaar haakte ook Kim Clijsters af: het moedertje alle moeders. Tom Boonen heeft door zijn Lamborghinigedrag veel aan volksgunst ingeboet. Justine bleef tot ieders vreugde van iedereen, van de NAVO, van de VN, van de wereld. Misschien wel de laatste Belg die het eigen koningshuis kon doen knielen.

In alle grote finales stond ze met een koortsblaasje op de lippen. Het maakte haar nog kwetsbaarder, nog melancholieker.

Eén keer sprak ik haar. Ze zei: „Niets heb ik gekregen, alles heb ik bevochten.” En ik zei: „Madame, je vous aime.” Aan haar ingenomen lachje zag ik toch dat ze dát liever van een jeune premier had gehoord.