Zonder stro bak je geen stenen

In zijn klassieke roman over een mini-dictator in het Amerikaanse Zuiden wisselde Robert Penn Warren (1904-1989) een ironische hard-boiled stijl af met lyrische passages en poëtische beelden.

Amerikaanse postzegel, uitgegeven in het honderdste geboortejaar van Robert Penn Warren, 2005; op de achtergrond een scène uit ‘All the King’s Men’

Robert Penn Warren: All the King’s Men of de ondergang van Willie Stark. Vertaald door Gerda Baardman, Lidwien Biekmann en Kitty Pouwels. Cossee, 480 blz. € 29,90 (geb.)

Op Good Old Boys, een muzikale rondleiding door het Amerikaanse Diepe Zuiden, wijdde singer- songwriter Randy Newman twee van de twaalf liedjes aan hem. Huey P. Long, de populistische gouverneur (1928- 1932) en senator (1932-1935) van Louisiana, was dan ook een markante figuur. Onder de geuzennaam Kingfish wierp hij zich op als een vaderfiguur voor de verarmde bevolking: hij legde autowegen aan, bouwde hospitalen en scholen, en lanceerde een zeer progressief belastingplan dat van ‘every man a king’ moest maken (zoals de titel van zijn campagnelied luidde). Toch had hij meer vijanden dan vrienden, want hij leidde de staat met harde hand en dito machinaties en haalde het geld voor zijn hervormingen weg bij oliemaatschappijen en rijke privépersonen. ‘Ain’t no Standard Oil men gonna run this state,’ zingt Randy Newman in ‘Kingfish’. ‘Gonna be run by little folks like me and you.’

Als mini-dictator in de jaren dertig is Huey Long een bijna mythische figuur geworden. Niet alleen doordat hij onder onduidelijke omstandigheden werd doodgeschoten in het Capitool van Baton Rouge, maar ook doordat er maar liefst zes romans op zijn leven en werk gebaseerd zijn. De beste daarvan, die van dichter-romancier Robert Penn Warren, is 62 jaar na publicatie opnieuw vertaald, onder de oorspronkelijke, aan een Engels bakerrijmpje ontleende titel All the King’s Men. De Nederlandse ondertitel luidt ‘De ondergang van Willie Stark’, want deze Great Southern Novel is het verhaal van een moderne Humpty Dumpty die een ‘grote val’ maakt. Het is ook een van de grootste romans over politiek en vuile handen. Geen wonder dat het verslag van het Watergateschandaal, All the President’s Men, van de journalisten Woodward en Bernstein dertig jaar later bijna dezelfde titel meekreeg.

In Nederland is Robert Penn Warren bijna vergeten – zijn dood in 1989, op 84-jarige leeftijd, werd in deze krant afgedaan met een berichtje van twaalf regels. In de VS geldt hij als een van de grote zuidelijke auteurs; een regionalist uit overtuiging, die als enige Amerikaanse schrijver Pulitzer-prijzen voor zowel proza als poëzie kreeg. Dat laatste is te merken in All the King’s Men, dat een ironische hard-boiled stijl à la Raymond Chandler afwisselt met lyrische passages en goed gedoseerde poëtische beelden. Neem het slot van hoofdstuk 5, waarin Jack Burden, historicus en betaalde muckraker van Willie Stark, vertelt over de belastende informatie die hij over een tegenstander van de senator heeft gevonden:

‘Want niets gaat verloren, niets gaat ooit verloren. Er is altijd een aanwijzing: een afgewezen cheque, een veeg lippenstift, een voetstap in het bloembed […] de smet in de bloedbaan. En alle tijden zijn één tijd, en alle doden uit het verleden hebben nooit geleefd voordat wij ze met onze beschrijving leven geven, en hun ogen ons smeken vanuit het donker.

Dat is wat wij, geschiedkundige onderzoekers, geloven.

En we zijn dol op de waarheid.’

Door roeien en ruiten

Warrens roman is het verhaal van Willie Stark, een no-nonsense-politicus wiens belangstelling naar eigen zeggen uitgaat ‘naar het hart van de mens’, en die door roeien en ruiten gaat om zijn doel – een betere wereld voor de poor crackers – te bereiken: ‘Zonder stro kun je geen stenen bakken,’ zegt hij; ‘en doorgaans heb je alleen tweedehands stro uit de koeienstal tot je beschikking.’ Politieke druk, machtspelletjes, chantage, intimidatie – de charismatische Stark schrikt nergens voor terug. Hij spreekt de taal van het volk (‘te veel gepraat over principes en niet genoeg over beloftes’) en grossiert ten behoeve van de intellectuele elite in machiavellistische oneliners: ‘als iets echt de moeite waard is, kun je er nooit je waardigheid bij ophouden.’ Voeg daarbij zijn horkerigheid en zijn onstilbare libido, en de lezer begrijpt al snel dat hij wel moet vallen, zoals ‘een grote sneeuwbal die de berg afrolt en nooit omhoog rolt om zichzelf weer kleiner te maken.’

Tegelijkertijd is All the King’s Men volgens de verteller het verhaal van een man ‘voor wie de wereld er heel lang op een bepaalde manier uitzag en daarna ineens heel anders.’ En die man is Jack Burden zelf. Als neef van Willie en onderzoeker- van-kwade-zaken van de latere senator, maakt hij zowel de opkomst als de val van Stark mee. Hij is er zelfs nauwer bij betrokken dan hem lief is, want twee van Starks felste tegenstanders kent hij goed uit zijn jeugd, terwijl een van de vrouwen met wie Stark een overspelige relatie begint Jacks grote jeugdliefde is. All the King’s Men mag zijn faam dan te danken hebben aan de beschrijving van een geoliede politieke machine in het zuiden – de bron van inspiratie van Joe Kleins Clinton-roman Primary Colors (1996) – het is evengoed een boek over een gecompliceerde veelhoeksverhouding waarin de tegenstelling tussen idealisme en de harde werkelijkheid wordt uitgespeeld. En dus een typisch Amerikaanse tragedie.

Met Jack leven we het meest mee, in de eerste plaats omdat hij degene is die het verhaal vertelt. Maar hij ís ook een tragische figuur: getraumatiseerd door een jeugd zonder duidelijke vader, gesjeesd als wetenschapper, en, na een mislukt huwelijk, hunkerend naar zijn jeugdliefde Anne. Voor Anne hebben we minder sympathie, niet alleen omdat ze zich ondanks fundamentele bedenkingen laat verleiden door Stark, maar ook omdat we haar nauwelijks leren kennen. Haar broer Adam rijst duidelijker op, als de integere superdokter die het nieuwe ziekenhuis van Stark moet gaan leiden en als de romanticus die ‘een bepaald beeld van de wereld in zijn hoofd heeft’, maar die de wereld wil weggooien als de wereld in geen enkel opzicht voldoet aan dat beeld. En dan is er Willie Stark, de sterke man die niettegenstaande al zijn karakterfouten voor iedereen die hem leert kennen (en dus ook de lezer) onweerstaanbaar is.

Ankerpunt

Jack beschrijft ze allemaal – zonder wrok of vooroordeel, zoals een historicus betaamt, en bovendien met zelfspot en pijnlijk veel zelfkennis. Hij presenteert zichzelf als een cynicus, en dat komt de roman ten goede, zeker doordat zijn bewondering voor Willie Stark ondanks alles onaangetast blijft. Uiteindelijk is hij het morele ankerpunt van All the King’s Men, een roman die probeert duidelijk te maken dat ‘het goede voort[komt] uit het slechte en het slechte uit het goede, en redde wie zich redden kan.’

Toch is het niet eens de morele lading, of de treffende psychologie, die All the King’s Men tot een van de hoogtepunten van de zuidelijke literatuur maakt. Dat is het proza waarin de roman gegoten is. Warrens scherpe dialogen, vol wisecracks en mooie overgangen, verraden dat de oorsprong van de roman in een (nooit opgevoerd) toneelstuk ligt, en maken duidelijk waarom de roman zo populair is bij film- en televisiemakers. Op iedere bladzijde staat wel een zin die je graag zou willen onthouden, of het nu een opmerkelijke beschrijving is (‘hij had het bijbehorende gezicht, romig en klonterig als een koeievlaai in de lente, […] de kleur van koekjesdeeg’) of een humoristische zijsprong (‘ik val nu eenmaal niet op mensen die me doen denken aan een omgevallen doos macaroni; een en al ellebogen en droog gerammel’).

Wie All the King’s Men leest, weet waar een schrijfster als Annie Proulx de mosterd haalt. Wie de roman niet leest, onthoudt zichzelf een unicum: een spannende politieke roman met de poëtische kracht van een klassiek epos.