Zoektocht rugstreeppad faalt

Het Havenbedrijf Rotterdam maakt jacht op de rugstreeppad, om de beschermde diersoort te verplaatsen naar speciaal aangelegde waterpoelen elders in het havengebied.

Hij was aangekondigd als „een zeer luidruchtig amfibie”. Met andere woorden: niet te missen, die rugstreeppad. Maar zodra dinsdagavond de duisternis is gevallen in het westelijk havengebied van Rotterdam blijft het angstvallig stil rondom de waterpoelen. Het enige geluid is afkomstig van de traag draaiende wieken van de windmolens, even verderop. „Het zal toch niet waar zijn, hé”, verzucht ecoloog Niels de Zwarte van Bureau Stadsnatuur, terwijl hij bij het licht van een zaklantaarn nauwgezet de oevers inspecteert. Misschien is het nog te vroeg in de avond, misschien is de paringstijd dit jaar later dan voorzien, misschien zijn de padden ondanks het warme weer nog niet volledig ontwaakt uit hun winterslaap. Wie zal het zeggen?

Hoe dan ook, vroeg of laat zullen ze tevoorschijn komen, de naar schatting tachtig rugstreeppadden die zich hier ophouden. Verscholen in het zand en de modder van het Europoortgebied, op de toekomstige toegangsweg van de Tweede Maasvlakte.

Naar verwachting wordt hiervoor binnenkort de laatste juridische hobbel genomen. In het najaar gaat de eerste schep zand het water in voor landaanwinning voor de naar ruimte snakkende haven. Maar pas nadat de padden een nieuw onderkomen hebben gevonden, elders in de haven. Want de rugstreeppad (epidalea calamita) is niet zomaar een pad, de rugstreeppad is een beschermde diersoort.

Om in bezit te komen van de felbegeerde ontheffing, legde het Havenbedrijf vorig jaar achttien kunstmatige waterpoelen van 80 centimeter diepte aan, compleet met puin- en zandheuvels voor de nodige beschutting, vlakbij de huidige leefomgeving van de padden. Kosten: 180.000 euro. Dat is veel geld, beaamt beheerder Jan Putters van het zeven miljoen vierkante meter tellende havengroen. „Maar het moet niet alleen, we willen het ook.” Al was het maar om het eigen dieronvriendelijke imago bij te stellen, erkent hij.

In de Rotterdamse chemiehaven ligt onder de grond meer dan 1.500 kilometer aan pijpleidingen. De daarboven gelegen 400 hectare leidingstroken kunnen daarom niet bebouwd worden en zijn het domein van flora en fauna. Het gebied herbergt bunzings, hermelijnen, fazanten, hazen, konijnen, reeën, patrijzen, vossen, wezels en tal van vogelsoorten: de buizerd, de groene specht, de kiekendief, de meeuw en de torenvalk.

Putters schat het totale aantal rugstreeppadden op tweehonderd. De Zwarte hoopt met twee collega’s 80 tot 90 procent daarvan de komende weken te vangen („gewoon met de hand”) en te verplaatsen.

De niet gevangen exemplaren zullen op eigen kracht de weg vinden naar een van de kunstmatige vijvertjes en deze vervolgens massaal koloniseren, zo is de verwachting. Want rugstreeppadden hebben, aldus De Zwarte, „een grote migratiedrang”. En dat niet alleen: het in de nacht actieve beestje met de karakteristieke streep op de rug plant zich veelvuldig voort – een vrouwtje legt gemiddeld drieduizend tot vijfduizend eitjes, en dat driemaal per jaar in de periode april tot september.

„De rugstreeppad is een opportunistisch dier; het vrouwtje lost als het ware een schot hagel, en neemt bewust het risico dat de waterpoel opdroogt en haar kroost het dus niet overleeft”, zegt De Zwarte. Daarna begint de lange winterslaap, ergens diep onder de grond.

En dan zijn er nog de natuurlijke vijanden, zoals de meeuw en de reiger, voor wie de paddenpoelen „veel weg hebben van een McDonald’s”, aldus Putters. Maar de schade zal in de praktijk meevallen, zegt hij, de padden kunnen zich goed verbergen.

Dat blijkt deze avond: uiteindelijk wordt één exemplaar gesignaleerd en die belandt even na de klok van elf in de handen van De Zwarte. De ecoloog laat het beestje niet veel later weer vrij. Eén rugstreeppad verplaatsen? Dat heeft geen zin. Binnenkort volgt een nieuwe poging.