Zoek een uitweg uit de omweg

Van een louter taalbrouwsel zou de eigentijdse poëzie net als de popsong weer een publiek moeten kunnen bereiken. Waar kunnen gedicht en wereld elkaar eigenlijk nog raken?

Vrouw met boek, schilderij (fragment) van Pablo Picasso (1932) Uit ‘The Look of Reading’, University of Chicago Press, 2006

Geert Buelens: Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poëzie. Vantilt, 303 blz. € 19,90

‘Bijna niemand houdt van poëzie, en de wereld van het vers is fictief en vals’, schreef de Poolse auteur Witold Gombrowicz in een tirade tegen de dichtkunst. Dichters moesten zich alleen met poëzie bezighouden, stelde hij, als ze zich voortdurend bewust zouden zijn van de beperkingen, verschrikkingen, domheden en de algehele belachelijkheid van het genre, en als ze bereid zouden zijn om op elk moment de relatie tussen poëzie en het leven te herzien.

Het is geen stuk dat vaak wordt aangehaald in poëzie-essays, maar wel bij Geert Buelens (1971). Hoewel hij zelf dichter is en hoogleraar neerlandistiek, kan hij Gombrowicz alleen maar gelijk geven. Al te lang heeft de poëzie zich teruggetrokken in haar ivoren toren, betoogt Buelens. Hardhandig rekent hij af met het grootste deel van de huidige poëzie en het heersende debat daarover: ‘Zowel het gemiddelde discours over poëzie als gros der gedichten zelf vind ik van een weemakende zoetigheid, een wereldvreemde zweverigheid en, vooral, een weerzinwekkende religieuzerige pretentie’.

De tijd is definitief voorbij waarin literatuur meer waard was naarmate zij zich verder van de wereld afwendde. ‘Verbluffend’, noemt Buelens het, en ‘verlammend’, dat we van poëzie zijn gaan verlangen dat zij niet communiceert. Dat doet sterk denken aan een betoog dat een andere Vlaming, David van Reybrouck, onlangs hield bij de uitreiking van de VSB-prijs. Hij ageerde tegen de zwijgzame, anorectische poëzie vol ‘tochtig wit’ die te veel zou worden geschreven.

Hun pleidooi is overtuigend, maar niet zo nieuw als zij het willen voordoen. De steriele poëzie die Buelens en Van Reybrouck veroordelen (helaas zijn ze beiden te beleefd om namen te noemen uit het gewraakte ‘reservaat voor weekdieren en eunuchen’) is niet meer de norm, zoals dat een jaar of twintig geleden was. Iedereen is het wel zo’n beetje eens dat poëzie ook met beide benen op de grond mag staan. Sterker nog, zoals dat gaat na een heersende mode, lijkt inmiddels het omgekeerde aan de hand: juist poëzie die zich niet afwendt van de wereld wordt hoog ingeschat. Ter Balkt bijvoorbeeld, de enige levende Nederlandse dichter die Buelens bespreekt, wordt al jaren op handen gedragen.

Paradox

Maar het gaat het Buelens om veel meer dan alleen het hedendaags poëziedebat in zijn nieuwe essay-bundel, Oneigenlijk gebruik, die als ondertitel draagt: ‘Over de betekenis van poëzie’. Die wat pretentieuze toevoeging moet Buelens vergeven worden, want die dekt wel de lading: hij probeert uit te zoeken wat poëzie in deze tijd mag en moet betekenen. In de eerste plaats moet de poëzie een uitweg vinden uit de cruciale paradox waar zij mee kampt. Poëzie kan je definiëren als ‘oneigenlijk’ taalgebruik – een gebruik dat afwijkt van de alledaagse taal waarmee je een broodje bestelt. Om zich te blijven onderscheiden van die taal bij de bakker, en van de populaire cultuur in het algemeen, is de mate van afwijking in de loop van de 20ste eeuw groter en groter geworden, uitmondend in onverstaanbaarheid. Zodat de poëzie zichzelf onleesbaar heeft gemaakt en haar publiek heeft verjaagd. Behoedzaam zoekt Buelens een weg uit die impasse, ‘een uitweg uit de omweg’, en gaat hij na waar gedicht en wereld elkaar nog raken.

Het meest letterlijk gebeurt dat in het essay ‘Imagoprobleem, zei u?’ over politici die poëzie schrijven, zoals de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki, die bij de machtsoverdracht een lang lofdicht voordroeg ter ere van Nelson Mandela, in de traditie van orale lofzangers. Een inmiddels bekend voorbeeld is Osama Bin Laden als dichter. Dat het de leiders zelden om woorden alleen gaat, blijkt uit het geval van de de vorige Chinese president, Jiang Zemin. Buelens vertelt hoe hij met zijn poëzie probeerde de partij te verbinden aan de klassieke cultuur en de traditie, als tegenwicht voor de snelle ontmanteling van het communisme in zijn land.

Wat betreft het Nederlandse literaire klimaat, wijdt Buelens een essay aan het taboe op ‘herkenbare’ poëzie. Lezers zitten nu eenmaal te wachten op herkenning, maar die mag tegelijk niet te opzichtig zijn, want de ervaren literatuurlezer wil al evenmin directe gevoelsuitstortingen. We moeten zoeken naar gecamoufleerde emoties: ‘De deur mocht eindelijk wel eens op kier, waardoor het gedicht opnieuw een voelende, denkende, handelende ik binnenlaat, die spreekt tot ons als heeft hij iets te zeggen. Want als hij niets te zeggen heeft, waarom spreekt hij dan?’

Zoals vaker heeft Buelens’ beschrijving van de poëzie hier ook iets van een voorschrift. Dat is vrij uitzonderlijk voor een hoogleraar, maar Buelens heeft zelf ook twee dichtbundels op zijn naam. Zijn zoektocht naar een middenweg tussen banaliteit en onleesbaarheid is niet alleen een academische. Hij deelt veel twijfel met zijn lezers, vooral over de vraag waar je uit kan komen als je zowel de gemarginaliseerde, ‘zuivere’ poëzie als de humanitaire poëzie afwijst. Hoe het dan wél moet, is moeilijk te zeggen, en dat is een zwak punt aan Oneigenlijk gebruik: de weinig hedendaagse voorbeelden van poëzie die erin slaagt zich te bevrijden uit de impasse.

Televisie

Daarvoor moeten we een eeuw terug, naar de historische avant-garde bijvoorbeeld, of naar de gedichten die in Duitsland tijdens WO I in de krant stonden. Ook in andere genres zijn er voorbeelden te vinden van hoe het kan: in een virtuoze beweging brengt Buelens zijn gedachten over poëzie in verband met televisie (de serie Moonlighting) of de liedjes van Raymond van het Groenewoud. Zo demonstreert hij procédés die ook in de poëzie werkzaam zijn, zoals de wijze waarop Van het Groenewoud een ‘tenenkrullend cliché’ tot een filosofisch maxime weet te verheffen.

Ook in Buelens’ essays over popmuziek blijkt de vraag naar het ‘oneigenlijk gebruik’ van taal een vruchtbaar uitgangspunt. Of het nu gaat over Amerikaanse topical songs, experimentele jazz of field hollering, de zangerige kreten die landarbeiders naar elkaar riepen over de velden: steeds is er de kwestie van de verhouding van lied tot wereld. Popmuziek trekt zich niets aan van de dogma’s uit het poëziecircuit: ‘liedjes willen graag een publiek bereiken’, en dat zou voor een gedicht ook niet zo gek zijn, betoogt Buelens. Want de muziek die hij bespreekt weet een ‘moeilijke’, vaak ideologisch geladen boodschap, toch te verkopen aan het grote publiek.

Dat kan ook in de poëzie, laat Buelens zien, bijvoorbeeld in een essay over Adorno en Auschwitz, of over Ter Balkt en de landbouwpolitiek. Soepeltjes zeilt Buelens steeds tussen alle partijen door zonder vrijblijvend te worden. Hij haalt de (politieke) werkelijkheid naderbij, zonder van het gedicht een column op rijm te maken. Wat de lezer wil mag weer meetellen, zonder dat de eis van herkenbare gevoelsuitingen allesoverheersend is in zijn literatuuropvatting. In plaats daarvan besluit Buelens de bundel met een essay waarin wordt onderzocht wat het ‘plezier van de tekst’ eigenlijk inhoudt, en waarom dat plezier voor veel lezers juist gelegen is in moeilijke teksten. Zo dient hij Gombrowicz toch van repliek, niet door te beweren dat we van poëzie moeten houden, maar door te onderzoeken hoe we van haar kunnen houden.