Wie was toch ‘de beruchte Joan van Noort’?

David A. de Witt: Jan van Noordt. Painter of History and Portraits in Amsterdam. Mc.Gill-Queen’s University Press, 398 blz. € 75,–

David A. de Witt: Jan van Noordt. Painter of History and Portraits in Amsterdam. Mc.Gill-Queen’s University Press, 398 blz. € 75,–

Ooit wijd en zijd beroemd, nu vrijwel vergeten, de Amsterdamse schilder Jan van Noordt (ca. 1623 - na 1676). Van Noordt stamde uit een intellectueel en muzikaal milieu, kreeg opdrachten van de Amsterdamse elite en werd geroemd als ‘den beruchten Joan van Noort’. Toen betekende ‘berucht’ nog vermaard. In die vergetelheid is nu verandering gekomen dankzij de Amerikaanse kunsthistoricus David de Witt, die een heldere en systematische monografie aan Van Noordt heeft gewijd. Hij behandelt leven, werk en stijlontwikkeling; daarna volgt een catalogus van zijn werk.

Er werden ongeveer 150 schilderijen aan Van Noordt toegeschreven, maar na een kritische schifting komt De Witt nu uit op 62, die hij definitief aan hem toeschrijft.

Van Noordts vader was schoolmeester en organist, twee broers waren vermaarde musici in Amsterdam, componisten en organisten. Zijn schilderopleiding kreeg hij van de zeer succesvolle Jacob Backer, die in Rembrandts stijl werkte. Hij stond ook in contact met literaire kringen.

De biografie vertoont door gebrek aan bronnen veel lacunes, maar De Witt heeft werk en stijl goed in kaart gebracht. Van Noordt schilderde aanvankelijk historiestukken voor de vrije markt: bijbelse en mythologische taferelen en ook scènes uit geliefde toneelstukken van die tijd. Zijn werk viel kennelijk in de smaak want hij kreeg steeds meer opdrachten van Amsterdamse regentenfamilies, ook voor portretten.

Zijn stijl, aanvankelijk glad en precies, ontwikkelde zich in een lossere richting, die verwant was aan die van de Amsterdamse portretschilder Abraham van den Tempel. Van Noordt bereikte een grote levendigheid, mede door de suggestieve uitdrukking van stoffen: reflecties op zijde, plooien en stiksels. Dynamiek bereikte hij ook met plastische wolkenluchten op de achtergrond.

Twee van zijn meest geslaagde portretten hangen in de Wallace Collection in Londen. In beide gevallen betreft het een jongen in zeer luxueuze kledij die met een valk op zijn hand ons toelacht. ‘Levensecht’, zou je kunnen zeggen, of ‘het is of hij zo uit de lijst kan stappen’. De Witt merkt op: ‘The liveliness of van Noordt's interpretation conveys the spontaneity of the sitter’s youthfull age’. Maar kenners van de valkenjacht fronsen hierbij onmiddellijk. Een valkenier heeft de valk per definitie op zijn linkerhand zitten, en op één schilderij zit de vogel rechts. Op het andere schilderij zit de valk wel op de rechterhand, maar die is ongehandschoend. Van zo’n kinderhand blijft met die klauwen, daar hoef je geen valkenkenner voor te zijn, niets over. Hoe dit te duiden? Documenteerde Van Noordt zich niet goed? Of heeft hij willen uitdrukken dat deze twee rijkeluiskinderen het nooit zouden leren?