Weinig en groen rijden

‘Variabilisatie’ is al enkele decennia het toverwoord waarmee politiek Den Haag het autorijden hoopt terug te dringen zonder het autobezit aan te tasten. Het komt voor in allerlei formules en het huidige kabinet studeert driftig op de jongste en meest radicale variant. Die behelst grofweg het afschaffen van de jaarlijkse motorrijtuigenbelasting (mrb) en, al dan niet voor een deel, van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) die bij de aankoop van een nieuw voertuig moet worden betaald. Het rijden zelf wordt dan via een kilometerheffing (vanaf 2012) veel duurder gemaakt. Mits minister Eurlings (Verkeer, CDA) de voorbereidingen hiervoor op tempo weet te houden.

Zonder dat er veel woorden aan vuil zijn gemaakt, heeft het kabinet dit jaar al enige stappen gezet om te stimuleren dat het autorijden zo ‘schoon’ mogelijk gebeurt. De eenmalige bpm is verlaagd en de telkens terugkerende mrb voor veel auto’s verhoogd, waarbij in de tarieven rekening wordt gehouden met de hoeveelheid CO2 en fijnstof die de wagen uitstoot en het energieverbruik. Voor zeer zuinige auto’s is de mrb juist gehalveerd. De fiscale bijtelling voor lease-auto’s is verlaagd wanneer ze weinig CO2 uitstoten en in het omgekeerde geval verhoogd. Het zijn maatregelen die de ene bewindspersoon, staatssecretaris De Jager (Financiën, CDA), onder het kopje ‘fiscale vergroening’ rangschikt en de ander, minister Eurlings, als ‘anders betalen voor mobiliteit’ ziet.

De beide bewindslieden worstelen nog met de vraag – en naar verluidt met elkaar – of de bpm helemaal moet worden afgeschaft of dat deze aanschafbelasting omwille van de staatskas gedeeltelijk moet worden gehandhaafd. De laatste variant is dat voor de hoogte van het tarief niet het gewicht, maar de CO2-uitstoot bepalend wordt.

Eenvoud is tot nu toe niet het kenmerk van al deze maatregelen en voornemens om de vervuiler te laten betalen. Bovendien ligt er de meer principiële discussie aan ten grondslag of alle belastingopbrengsten die de auto genereert (inclusief de accijns op brandstof), ten goede moeten komen aan voorzieningen voor het verkeer, inclusief het openbaar vervoer. Bij het ministerie van Financiën bestaan daartegen begrijpelijk principiële bezwaren, omdat ‘geoormerkte’ besteding van belastingopbrengsten de keuzevrijheid en dus de politieke beleidsruimte beperkt.

Een tweede probleem is dat vergroening van belasting nadelig voor de staatskas kan zijn, bij een al te groot succes . Met andere woorden: gewenst gedrag in de vorm van weinig en alleen schoon autorijden slaat dan een gat in de belastingopbrengst. Een effect dat zich wel vaker voordoet wanneer twee oogmerken van belastingheffing, het genereren van opbrengst voor de staat enerzijds en het beïnvloeden van gedrag van de burger anderzijds, elkaar in de weg zitten. Maar zoals er redenen zijn om roken te ontmoedigen – een succesvol beleid gaat dan ten koste van de opbrengst van accijns – zo blijft er alle aanleiding om zuinig autogebruik te bevorderen omwille van het milieu en ter bestrijding van files.