Wegvluchten met de toonladders van de gamelan

Henk Mak van Dijk: De oostenwind waait naar het westen. Indische componisten, Indische composities, 1898 - 1945. KITLV Press, 331 blz. € 34,90

Henk Mak van Dijk: De oostenwind waait naar het westen. Indische componisten, Indische composities, 1898 - 1945. KITLV Press, 331 blz. € 34,90

Na het overlijden van Ravel werd op zijn bureau een partituur aangetroffen van de indertijd vrij bekende Nederlands-Indische componist Paul Seelig: Danzes from the Malayan Opera. Seelig groeide op in Semarang, studeerde muziek in Duitsland en werkte daarna aan het hof van een Javaanse vorst. Hij leidde het orkest dat de vorst voorzag van Europese dansmuziek en militaire muziek. Aan het hof leerde hij de klassieke muziek van Java, gamelan, van nabij kennen en hij verwerkte die invloed in zijn (westerse) composities. Een aantal van deze Indische stukken werd in Europa en Amerika met veel succes uitgevoerd.

Seelig en nog enkele niet onverdienstelijke ‘Indische componisten’ vormen een vergeten hoofdstukje in de muziekgeschiedenis, dat nu door antropoloog en pianist Henk Mak van Dijk wordt beschreven.

In Europa was oriëntalisme al in de negentiende eeuw in de mode geraakt. Exotische invloeden waren voor veel Europese componisten een manier om weg te komen van de dominante Duitse romantische traditie. Gamelan was een mogelijke invloed – ook al stond de esthetiek van de gamelan in vrijwel alle opzichten haaks op die van de westerse muziek. De Nederlandse componist Matthijs Vermeulen vond het daarom onnozele muziek ‘die in haar kindertijd was blijven steken’. Debussy daarentegen beschreef de gamelan als muziek die ‘alle nuances bevatte, zelfs nuances die je niet meer kunt benoemen.’

De Nederlands-Indische componisten maakten gebruik van gamelantoonladders, althans benaderingen daarvan. Een enkeling stemde de piano werkelijk zo dat je er écht gamelan op kon spelen. Ook lieten ze zich inspireren door de karakteristieke herhalingspatronen van de Javaanse muziek.

Soms leidde dat tot iets wat in de buurt kwam van Debussy of Ravel, bijvoorbeeld zwevende akkoorden in plaats van de gebruikelijke opeenvolgingen van spanning en ontspanning. Maar vaak bleef het bij pentatoniek op een harmonische ondergrond die gewoon Duits-romantisch was, zoals in de composities van Constant van de Wall, die prompt door een criticus hard werd aangepakt.

In de beschrijving van die muzikale confrontatie is het boek op zijn best. Helaas blijft de muziek vaak op de achtergrond, en ligt de nadruk op het leven van de componisten. Hoe het indertijd klonk is enigszins te horen op de bijbehorende cd, waarop liederen en pianostukken vertolkt worden. Orkestwerken staan er niet op (afgezien van twee stukken van een Indisch amusementsorkest). Maar geen nood, de Indische opera Attima van Constant van de Wall (uit 1903) is dezemaand te horen en te zien in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, van 23 tot 28 mei.