Verplaatsen 5

Kijk ík naar een kunstwerk of kijkt het naar míj? Deze vraag kwam in me op tijdens een bezoek aan de tentoonstelling Offspring 2008, waar wordt getoond wat de deelnemende kunstenaars aan de Ateliers in Amsterdam de afgelopen twee jaar bereikten. Ik scande de door Jack Holden (Nottingham, 1979) ingerichte ruimte. Medium: collages en schilderijen. Formaat: klein, niet bedreigend. Presentatie: ingelijst. Aantal: veel. Probeert wellicht met kwantiteit onzekerheid te maskeren. Ik had een indruk van het werk, maar verliet de ruimte zonder dat ik had gezien wat er op de collages en schilderijen was afgebeeld.

Opvallend genoeg was het juist een kunstwerk, de video There are eyes above van dezelfde Jack Holden, dat me van mijn luie waarneming bewust maakte. Ik daalde een trapje af en hoorde een lage ruis, alsof de treden me onder water hadden geleid. De projectie toonde een kluwen mensen, een veelkoppig donker silhouet tegen een felgroene uitsnede van een jungle. Er rees iemand uit de groep omhoog, en pas toen zijn hoofd boven de mensenmassa uitsteeg, zag ik dat het de kop van een reusachtige gorilla was. Hij maakte geen deel uit van de groep, maar stond er juist tegenover. Het beest torende uit boven de mensen die waren gekomen om hem te bekijken, en wilde zien wie zijn toeschouwers waren.

Ik stond in het donker en voelde hoe ik ongewild onderdeel werd van de zwarte mensenkluwen. Ik was gekomen om te kijken naar kunst, zoals deze mensen naar de dierentuin waren gekomen om apen te zien. Ik zag apenkijkers en kunstkijkers zich tot een dichte massa vormen en ik voelde hoe ik langzaam deel ging uitmaken van het trage, veelkoppige monster. Ik had moeite mijn armen en benen te bewegen, want bij elke aanzet trok het gewicht van de groep me terug. De kluwen ademde zwaar en mijn hoofd bonkte. Toen ik mijn ademhaling niet meer van de soundtrack van de video kon onderscheiden, worstelde ik me een weg naar boven.

Ik belandde weer in de ruimte van Holden, en zag nu pas dat behalve de blik van de kunstenaar, ook het perspectief van de toeschouwer een belangrijke rol heeft in zijn werk. Het meest treffend is dat zichtbaar in het schilderij Night Spot Confession waarop een vrouw verleidelijk poseert, hoewel er geen detail van haar valt op te maken: ze is een zwarte, platte vorm. Haar kapsel loopt vreemd hoekig over in haar hals, alsof ze grof is uitgeknipt. Ze zit er al wat stijfjes, maar haar uitgekniptheid plaatst haar nog ongemakkelijker op het podium, en als onderwerp op het schilderij.

Ik voelde me ongemakkelijk tegenover deze vrouw. Ze zat daar om bekeken te worden, maar liet zo weinig mogelijk van zichzelf zien. Ik ging anders staan, deed een paar passen terug, maar kon me niet losmaken van de vereenzelviging die dit silhouet van mij eiste. Ik werd verplaatst in haar en zag mezelf door haar ogen: als toeschouwer en als zwarte mensenkluwen. Om deze vrouwenvorm te bewijzen dat ik het was die naar haar keek, en niet andersom, nam ik een foto van de collage waaruit Night Spot Confession was ontstaan.

Maar eenmaal thuis zag ik dat de flits in het glas ervoor had gezorgd dat mijn schaduw groot en zwart door de vrouw heen schemert. Ik sta ongemakkelijk naast haar op het podium en weet niet wie naar wie kijkt.