Van regendruppel tot worm

Experimentele filmmakers tonen een open blik voor de absurditeit van de wereld. Het Filmmuseum conserveerde honderden Nederlandse filmexperimenten en laat daarvan nu een selectie zien.

Met film is het als met natuurkunde. Het gaat over licht en snelheid, tijd en ruimte. Er is intussen een lange traditie van filmmakers die willen weten waarom film is zoals hij is. Die willen controleren of de bal elke keer op de grond valt als je hem in de lucht gooit. Hoeveel licht je nodig hebt om iets zichtbaar te maken. Hoeveel tijd er in een filmbeeld kan verstrijken, voordat je het gevoel hebt dat er niets gebeurt.

Dat levert films op zoals Double Shutter (1970) van Mattijn Seip. Daarin draait voor de lens met variabele snelheid een sluiter open en dicht, waardoor steeds maar een fragment van de gefilmde wereld zichtbaar wordt. Tussen de vlekken en de vegen moet de toeschouwer op zoek naar houvast. Hoe lang moet je kijken voordat je weet wat je ziet?, is één van de vragen die deze film oproept. Of neem Traces (1990) van Barbara Meter. Die film vertelt met de onscherpte van oude foto’s in Duits, Engels en Nederlands door elkaar over feminisme, liefde, werk, de taak van de vrouw. De film heet niet voor niets ‘sporen’: uit een overvloed aan informatie probeert de film een caleidoscopisch beeld te creëren, dat zegt: er is niet één beeld, één gefilmde werkelijkheid te maken. Er is niet één waarheid.

Experimentele filmmakers – of zoals ze in de vorige eeuw heetten: de avant-garde – werken niet voor de massa, de commercie en de grote bioscopen. Ze zijn niet geïnteresseerd in antwoorden, maar in vragen. Hoe meer vragen, hoe beter. Hoe idioter de antwoorden ook hoe beter. Experimentele films zijn vaak wel ernstig in hun zoektocht, maar met een open blik voor de absurditeit van de wereld die zij voor de microscooplens van hun camera uitvergroten. In De familie Nasdalko aan zee (1969) laat Barbara Meter een oer-Hollandse strandvakantie ontsporen als de theevisite bij de Mad Hatter in Alice in Wonderland na het bezoek van een faun en enkele zeemeerminnen.

De films die dit weekend in het Filmmuseum in Amsterdam worden vertoond, als een showcase van de honderden Nederlandse experimentele films die de afgelopen jaren werden geconserveerd en binnenkort via een website voor het publiek worden ontsloten, zijn films die niet helemaal kunnen geloven dat er elke ochtend een goudgeel toastje uit de broodrooster springt. Sterker nog, die beboterde geroosterde boterham kan hun eigenlijk niet zoveel schelen, maar die springveer, en dat gloei-element, zijn dat geen wonderen? Zou je dan niet zoals Andras Hamelberg in Crescendo (1981) dolgelukkig worden om op het ritme van een op hol geslagen metronoom je camera heen en weer te laten zwiepen van licht naar donker, heen en weer. Tik tak, zegt de klok. De camera schommelt. De wereld bestaat als het licht is. We kunnen hem zien. Maar wat als het donker is?

Nederland heeft een eerbiedwaardige

geschiedenis van experimentele filmmakers. Regisseurs als Frans Zwartjes, Barbara Meter en Frans van der Staak zijn de afgelopen jaren in filmprogramma’s, documentaires en op dvd aan de vergetelheid ontrukt. De Filmbank heeft in tientallen tournees langs de filmtheaters uitgekiende programma’s met experimentele kortfilms door Nederland laten rouleren. Aan veel van dit werk is te zien dat de makers het niet kunnen laten om de grenzen van de filmkunst te verkennen en op te rekken. Vaak is het ook experimenteel uit noodzaak. In Nederland is er altijd te weinig geld voor het produceren van films. Dus waarom niet van de nood een deugd gemaakt? Waarom niet met minimale middelen een maximaal resultaat behalen? Waarom niet, bij gebrek aan een geavanceerde batterij lampen, net zo lang de duisternis filmen tot je er vanzelf iets in begint te zien?

Of misschien dat niet eens. Want er zijn grofweg twee manieren om naar experimentele films te kijken. Je kunt je er aan overgeven. Het kijken wordt dan een soort meditatie. Bij abstracte films kan dat vaak ook niet anders. En meestal is dat genoeg, zoals in de wonderschone experimentele klassieker Regen (1978) van Christine F. Koenigs. De individuele regendruppels die in de film naar beneden vallen, zijn al snel niet meer te identificeren in de klatergordijnen. Muzikale begrippen als ritme, tempo en stilte lenen zicht het beste om te beschrijven wat je hier ziet.

Maar juist dan kan de toeschouwer ook zijn verbeelding op hol laten slaan, afdwalen en dagdromen. Dan worden er allerlei andere naaldfijne patronen en structuren in zichtbaar. Zo worden regendruppels glimwormen, lichtsporen van auto’s in de nacht, zwarte gaten die het beeld verzwelgen. En toch ging het nog steeds over licht en donker, snelheid en zwaartekracht. Over hoe tijd en ruimte in het bioscoopdonker in een ingewikkelde formule zijn te vatten, waarin beeld, tegenbeeld en verbeelding samenvallen.

‘Filmmuseum Experimenteel’ in Filmmuseum, Amsterdam, 16 t/m 18 mei. Inl. www.filmmuseum.nl.Tijdens het filmweekend gaat de Filmbank-tour ‘Visible-Audible’ in première. Karel Doing selecteerde korte en experimentele geluidloze films uit de periode 1970-2006. Speciaal voor deze gelegenheid worden ze door componisten Philemon Mukarno en Juan Felipe Waller van nieuwe muziek voorzien. Speeldata op www.filmbank.nl.De website www.filmmuseum.nl/experimentelefilms is online vanaf 16 mei.