Tweespalt op maximale sterkte

In ‘Pnin’ laat Nabokov de lezer voortdurend in allerlei valletjes trappen. Maar net zo vaak helpt zijn schepper hem weer lieftallig overeind.

Een van de onweerstaanbare manieren waarmee Vladimir Nabokov zijn lezers steeds weer in verwarring weet te brengen, is zijn houding tegenover zijn personages. Gemeen. En liefdevol. Alle twee in hoge mate. Geen moeder kon tederder haar kind beschouwen dan Nabokov de onfortuinlijken wier lotgevallen hij enige tijd of tot hun bittere einde volgt; geen duivel zou gemener grijnzen en valsere dingen weten te fluisteren of op te roepen dan hij. Het gevolg is dat wij lezers, dankzij de warmte en de aardigheid die ons op allerlei plaatsen in het boek tegemoet stralen, gemakkelijk van een personage gaan houden, hoe onhandig, sociaal ongeschikt, verward of zinloos koppig het ook is, en dat ook op ons de klappen van de als het onverbiddelijke lot vermomde scheppende geest achter dit alles genadeloos neerdalen.

In Pnin heerst deze tweespalt op maximale sterkte. Geen personage aanbiddelijker dan professor Timofey Pnin met zijn krankjorume Engels, zijn ‘geducht stel geelbruine tanden’, al vrij snel in de roman vervangen door een stel gloednieuwe, hagelwitte, synthetische exemplaren waarop de drager niet weinig trots is, zijn merkwaardige colleges, zijn overgevoeligheid voor geluid en tocht, zijn nutteloze maar bijzonder uitgestrekte kennis van details die op een of andere manier met de Russische literatuur en geschiedenis te maken hebben – neem de discussie met een mede immigrant over de exacte dag en datum van het begin van Anna Karenina. Je hart wordt zwaar als je aan Pnin denkt, een van de vele voorgoed van land en taal verdreven slachtoffers van de omwentelingen in Rusland aan het begin van de 20ste eeuw. En wie beter dan zijn schepper Vladimir Nabokov, al eveneens uit het paradijs van zijn jeugd verjaagd en na omzwervingen door Europa uiteindelijk aan Amerikaanse universiteiten terechtgekomen, kent het peilloze heimwee van zulke verdrevenen en ziet tegelijkertijd scherper hun belachelijkheid. Dus laat hij Pnin zich misplaatst Amerikaans kleden en lukraak Amerikaanse zegswijzen bezigen terwijl een groot deel van zijn collega’s hem met afkeer, minachting en nauwelijks bedwongen lachlust bekijkt.

Om de ziel van zijn arme Pnin nog wat meer te tourmenteren heeft hij hem ooit getrouwd laten zijn met zo’n typisch Nabokoviaans vrouwspersoon: mooi, onweerstaanbaar voor teerhartige mannen, maar grof besnaard en egoïstisch tot op het bot. Die van Pnin heeft hem op gruwelijke wijze verlaten voor een ander en komt, in de periode waarin wij Pnin kennen – enkele jaren slechts aan het begin van de jaren vijftig – nog een keer bij hem op bezoek, als om hem te herinneren aan zijn hulpeloze, onverbiddelijke liefde voor haar en hem meteen min of meer haar zoon in de schoenen te schuiven.

Ook dat nog, denkt de lezer, die met pijn in het hart de wanhoop van de kleine geleerde gadeslaat na het vertrek van het trouweloze kreng.

Maar hier heeft de schrijver ons weer eens in van zijn valletjes gelokt: de jongen Victor ontpopt zich juist tot een vreugde in Pnins leven, zij het een vreugde op afstand – eigenlijk zijn wij lezers maar eenmaal getuige van een ontmoeting: ‘Pnins goed ontwikkelde jukbeenspieren trokken zijn bruine wangen omhoog en maakten ze rond; zijn voorhoofd, neus en zelfs zijn grote, fraaie oren namen aan de glimlach deel.’

Van Victor krijgt Pnin – op het moment dat alles zich in zijn leven heel behoorlijk ten goede lijkt te keren, en dan hebben we het naast de hoge vlucht die Pnins oeverloze wetenschappelijke onderzoek heeft genomen, vooral over het vrijstaande huisje dat hij, na jaren van kamer tot kamer te hebben gezworven, nu eindelijk heeft kunnen huren en dat hij zelfs overweegt te kopen – een schitterende glazen kom, die ‘door een lief toeval’ precies arriveert op de dag dat Pnin een, zoals hij dat noemt, ‘kleine, huisverhittende soiree’ geeft.

Wij lezers weten dan al dat het noodlot nadert: het aardige hoofd van de faculteit waar Pnin nu al jaren een tijdelijke aanstelling geniet, heeft elders een post aangenomen en Pnin zal niet kunnen blijven – en dus ook zijn droomhuisje niet kunnen kopen en niks. Aan het eind van de geslaagd verlopen avond, waarop ook Victors kom niet ongeprezen is gebleven, voelt het hoofd zich verplicht Pnin in te lichten over de teleurstellende toekomst. Dan wandelt hij, als laatste gast, weg in de nacht, Pnin achterlatend in de ruïnes van zijn verwachtingen en met de afwas.

De ontgoochelde Pnin ruimt de restjes op, doet zijn zijden smokingjasje, zijn stropdas en zijn gebit uit, knoopt ‘een gestippeld soubrette schortje’ voor en maakt een sopje. Hij laat er eerst ‘oneindig voorzichtig’ de mooie kom in zakken, dan het bestek en de glazen, hij vist die er een voor een weer uit en droogt ze af. In het warme sop bevindt zich ook de notenkraker. Ook die wordt netjes door Pnin afgedroogd, maar ontglipt dan aan zijn greep, kan net niet meer teruggevangen worden en schiet het ‘schat-verbergende schuim’ in, waaruit ‘de afgrijselijke knal van gebroken glas’ opklinkt.

Geen rampzaliger persoon dan de eenzame professor in zijn verloren huisje na het zo droevig geëindigde feestje. Met tranen in de ogen steekt hij de handen in het sop om de overblijfselen van wat nu zijn enige schat was geworden, de mooie kom, uit het water te vissen.

De kom is niet gebroken. Het was een wijnglas.

En zo, huilend en glimlachend tegelijk, voor de zoveelste keer gemeen ten val gebracht en lieftallig weer overeind geholpen door zijn schepper, bewaren wij Pnin in ons lezershart.

Wilt u reageren? Dat kan via het artikel op de site nrc.nl/leesclub. Volgende week Bas Heijne over ‘Pnin’.

Dit is de derde aflevering in de discussie over ‘Pnin’ van Vladimir Nabokov (vert. Else Hoog). Discussieer mee via nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere en andere artikelen te vinden zijn. PROGRAMMA 2007-2008:Het dorp Stepantsjikovo (F.M. Dostojevski, okt.) – Bouvard en Pécuchet (Gustave Flaubert, nov.) – Jacobs kamer (Virginia Woolf, dec.) – Een man wordt ouder (Italo Svevo, jan.) – Felix Krull (Thomas Mann, febr.) – Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) – Huwelijksverhalen (August Strindberg, apr.) – Pnin (Vladimir Nabokov, mei)