Schrijf eens een goed stuk!

De kunst kan niet zonder een serieuze kunstkritiek. Maar aan welke maatstaven moet die voldoen? Recensente Janneke Wesseling en schrijver en jurylid Oscar van den Boogaard introduceren een nieuwe prijsvraag met een beschouwing over de kunstkritiek.

Toen ik onlangs werd gevraagd juryvoorzitter te worden van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek heb ik geen moment getwijfeld. Hoewel ik nooit ergens een voorzitter van heb willen zijn en jury’s en prijzen wantrouw, maak ik een uitzondering voor kunstkritiek in ons taalgebied. Goede essayisten en critici zijn even noodzakelijk als schaars en zouden daarom op handen gedragen moeten worden. In de geschreven en gesproken pers krijgen ze steeds minder ruimte om hun gedachten te uiten.

De media verlangen geen analytische exposés waarin ideeën worden opgebouwd en visies worden geformuleerd – omdat ze onterecht menen dat die dor en onleesbaar zijn – maar wel stukken waarin snel een mening wordt neergezet. Het liefst met grote afbeeldingen van de kunstwerken erbij. Want kunst spreekt toch voor zichzelf? En kijken is makkelijk en denken moeilijk. Maar wie kan in een paar honderd woorden een beeld geven van de Biënnale van Venetië zonder de inhoud ervan geweld aan te doen?

Beeldende kunst dringt steeds verder door in de samenleving, vult de openbare ruimte. Musea, galeries en kunstbeurzen zijn the place to be, Jan met de pet wil er zich mee omringen en er in investeren, omdat er geld mee te verdienen valt of omdat een verzameling aanzien geeft. Maar wat als de kritische reflectie over kunst verdwijnt?

Als schrijver heb ik te maken met de literaire kritiek. Ook daarbij lijkt het alsof er aan diepgaande analyses geen eer meer te behalen valt. Critici krijgen niet meer de kans – of ze zijn te lui of niet bij machte – om vrij en analytisch te denken, met het gevolg dat de complexiteit van een kunstwerk in hun recensies wordt afgevlakt. Hierbij speelt ook een rol dat critici vaak niet genoeg betaald krijgen om tijd te steken in hun recensie, hun analyse. Maar als je slecht betaald wordt, probeer dan in ieder geval een goed stuk te schrijven!

Er is een tendens dat critici de weinige ruimte die ze krijgen gebruiken om zichzelf te profileren, en met snel geformuleerde meningen doen alsof ze een standpunt innemen. Maar wat is een opinie waard als een analyse ontbreekt? Wat is een opinie zonder visie?

Vorige week zat ik in een café naast twee kunstenaars die zich bezopen omdat hun werk uit een groepstentoonstelling in een belangrijke krant was neergesabeld. Er werd niet verteld waarom de criticus hun werk zo oppervlakkig en gemakzuchtig vond – dat zou nog interessant kunnen zijn, maar alleen dat het zo was. Zoals zo vaak wierp de criticus zich op als een objectieve instantie en maakte zichzelf onzichtbaar. De kunstenaars spraken elkaar tevergeefs moed in met de gebruikelijke argumenten: het is maar een mening van één persoon en morgen is iedereen de krant vergeten, maar onze kunst blijf bestaan. „Ik vermoord haar”, riep de een plotseling. „Want zij vermoordt mij.”

De paar kunsttijdschriften die ons taalgebied arm is en die hun schrijvers serieus de kans geven de diepte in te gaan en hen daar in sommige gevallen zelfs bij begeleiden, worden vooral gelezen door een gespecialiseerd kunstpubliek. Daaruit zou je kunnen afleiden dat kunst alleen bedoeld is voor een kleine groep. Maar waarom zou deze cirkel niet uitgebreid mogen worden naar een veel grotere groep mensen, die zich potentieel in kunst willen verdiepen, maar er niet het vocabulaire voor krijgen aangereikt? Kijken naar kunst moet je namelijk leren. Daarbij kan de schrijver over kunst een belangrijke rol spelen. Met eruditie, bevlogenheid en voorstellingsvermogen. Hij moet zich niet alleen verdiepen in het werk van een kunstenaar, maar ook op de hoogte zijn van internationale ontwikkelingen, en in staat zijn de ervaring die een werk oproept weer te geven. De kunstcriticus heeft een verantwoordelijkheid tegenover de kunst en tegenover het publiek dat geïnformeerd moet worden.

Kunstenaars bewegen, de kunstkritiek moet mee bewegen, de kunstenaar experimenteert en vindt nieuwe vormen, de kunstkritiek moet dat ook doen. Recensenten en essayisten moeten het elan van de kunst begrijpen, vatten, plaatsen. Alleen zo kunnen hedendaagse kunst en de reflectie daarop zich samen ontwikkelen.

„De kunstenaar redeneert niet, hij ontlaadt zich”, noteerde de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. „Bij de kunstenaar gebeurt alles tegelijk, alles werkt samen, de theorie met de praktijk, het denken met de hartstocht, het leven met het beoordelen en begrijpen van het leven, het najagen van persoonlijk succes met de eisen van het werk, de eisen van het werk met de universele waarheid, de schoonheid, de deugd – er is niets dat er aanspraak op kan maken de rest te domineren, alles is onderling afhankelijk, zoals in elk levend organisme.” Om deze gelijktijdigheid in de kunst te kunnen benoemen en analyseren moet een schrijver lef hebben en acrobatisch zijn.

Ik klaag niet alleen de media aan die geen ruimte geven aan goede kunstkritiek, maar evenzeer de critici die kritisch doen, maar het niet zijn. Die niet op de hoogte zijn en zich niet informeren; die kunst willen ontmantelen alsof kunstenaars misdadigers zijn, maar zich weigeren in te leven in hun ervaringswereld, en zich in plaats daarvan laten leiden door ressentiment. Zo dragen de recensenten bij aan de algemene vervlakking. Daarom is het belangrijk dat er een paar mensen uit de kunstwereld proberen te formuleren welke kritiek zij goed vinden. De kritiek moet kritisch bekeken worden. Zodat er een discussie ontstaat over wat kunstkritiek zou moeten zijn – en die discussie is nodig.

De kunstcriticus kan de brug zijn tussen kunstwerk en toeschouwer, de kunst ontsluiten voor het publiek. Hij kan opvoeden, enthousiasmeren, verbazen. Hij kan een persoonlijke gids zijn. Kunst in een wereld die ophoudt te denken en kijken is alleen nog een decor. Een beeldentuin waarin de mens gedachteloos rondwaart.