Salinger

Michaelis, Wolkers, Eijkelboom, Leeflang, Claus, Voskuil, Brakman, nu weer Van Doorn (in zijn non-fictie-soort ook een belangrijke schrijver) – het lijkt wel alsof God na mei vorig jaar aan een grote schoonmaak in onze letteren begonnen is.

Ik moest eraan denken toen ik de leeftijd zag van een andere schrijvende grootheid: J.D. Salinger. Hij werd op 1 januari jongstleden 89 jaar. Het verschil met de bovengenoemden is dat de dood van Salinger groot nieuws zal zijn voor álle media, waar ook ter wereld. Zijn boeken, het debuut The Catcher in the Rye uit 1951 voorop, worden nog steeds goed gelezen. Van The Catcher moeten er nu wereldwijd zo’n zeventig miljoen exemplaren zijn verkocht. Elke nieuwe generatie vindt er kennelijk iets van haar gading in. Ook bij De Bezige Bij verschijnt binnenkort weer, in de bekende vertaling van Johan Hos, een heruitgave van het kleine oeuvre van Salinger.

Omdat ik er in een discussie met de Salinger-kenners Arie Storm en Herman Koch iets over moest zeggen (in Cultura TV van de NPS), besloot ik The Catcher te herlezen. Het moet zo’n 35 jaar geleden zijn dat ik het boek voor het eerst las. Ik was toen allang geen puber meer, maar toch maakte het boek over de puber Holden Caulfield, die zich afzet tegen de wereld van de nepvolwassenen om hem heen, grote indruk op me. Het was, nog meer dan de inhoud, de toon die me fascineerde: die laconiek klinkende monoloog waarin melancholie en boosheid elkaar afwisselen.

Na herlezing vind ik The Catcher nog steeds een goed boek – terecht een literaire evergreen in een veel geïmiteerde, maar onvervreemdbaar eigen stijl geschreven – maar ik heb wel meer oog voor de zwakten gekregen. Er gebeurt eigenlijk erg weinig in – je leest vooral de weergave van gesprekken – en er is een onmiskenbare neiging naar sentimentaliteit. Holden zegt nogal vaak van zichzelf dat hij een heel eenzame jongen is en vooral de scènes met zijn kleine zusje Phoebe ervaar ik nu als iets te tranentrekkerig.

Toch had het boek me weer nieuwsgierig gemaakt naar het overige werk, dat ik ook al in geen tientallen jaren meer had bekeken – met uitzondering van Nine Stories, de verhalenbundel die misschien wel het hoogtepunt van Salingers werk is en die ik iedere lezer als kennismaking met dit oeuvre kan aanraden.

Zo kwam ik ook bij Franny and Zooey terecht, het verhaal over de jongste leden van de wonderbaarlijke familie Glass, een gezin met hoogbegaafde kinderen die na een periode van mediaroem aan een nieuw leven moeten beginnen. Ze zoeken hun heil, net als hun schepper Salinger zelf, vooral bij het zenboeddhisme.

Toch is Franny and Zooey geen soft boek, ik vond het nu scherper en wranger dan The Catcher. Zooey, de iets oudere broer, probeert zijn zusje Franny bijna aan haar haren uit een zenuwinstorting te sleuren. „Godverdomme, er is in geen enkele religie ter wereld een gebed dat je het recht geeft vroom te zijn.”, bijt hij haar toe. En zijn aanpak werkt.

Goed, het is een bizar gezin, die familie Glass – het gezin als sekte waarvan de oudste zoon Seymour de goeroe is – maar ze kunnen het ook niet helpen dat ze au fond zielsveel van elkaar houden, iets wat per definitie in de beste families voorkomt.