Nieuw vak op de uni: kieskunde

Ondanks oeverloos getob is de studie-uitval in het eerste jaar verontrustend groot.

Laat studenten daarom tijdens een flexibel eerste jaar bedenken wat ze echt willen.

Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Deze maanden moeten duizenden eindexamenkandidaten besluiten welke opleiding ze gaan volgen in het hoger onderwijs. Elk jaar blijkt weer dat velen het erg moeilijk vinden een studiekeuze te maken. Tot op het laatste moment wordt getwijfeld en gewisseld. Of de keuze wordt een jaar uitgesteld. Toch is de uitval in het eerste studiejaar verontrustend groot. Het studierendement van de blijvers laat ook te wensen over. Daarnaast wordt studenten een slechte studiehouding verweten – de beruchte zesjescultuur.

De lage motivatie en het slechte rendement hebben in veel gevallen te maken met de studiekeuze. Als een student niet op de juiste plek zit, kun je ook niet verwachten dat hij of zij met overtuiging en op tijd afstudeert.

De laatste jaren is geïnvesteerd in studievoorlichting, in een betere aansluiting tussen middelbaar en hoger onderwijs, en in de ‘studeerbaarheid’ van het hoger onderwijs. Maar zonder resultaat. Daarom pleit de Onderwijsraad nu voor zomerscholen en voor kleinschaliger en uitdagender onderwijs. Het zou ook helpen als studenten meer bij elkaar wonen.

Maar net als voorgaande ingrepen zal het weinig effect sorteren door het gebrek aan aandacht voor de studiekeuze in de ontwikkeling van de jongeren. Nadenken over het soort beroep dat ze willen uitoefenen en de studie die daarbij hoort, stimuleert de identiteitsontwikkeling. Het dwingt ze tot nadenken over wie ze zijn en wat ze willen in het leven. Het antwoord op die vragen kunnen ze niet vinden in glimmende folders en vlotte voordrachten bij open dagen. Het antwoord is de uitkomst van een persoonlijke zoektocht op basis van ervaring.

Nu zetten we de jongeren voor het blok: op jonge leeftijd moet op basis van oppervlakkige kennis een keuze voor het leven worden gemaakt.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de studiekeuze verbetert en tegelijkertijd de persoonlijke ontwikkeling van de studenten bevorderen?

Door de definitieve studiekeuze uit te stellen tot het einde van het eerste jaar. In het eerste jaar moet de student meerdere studies kunnen volgen om op basis daarvan een weloverwogen keuze te maken. Daarbij moeten we de keus geheel vrijlaten, dus niet voorgekookte ‘minor-major’- combinaties aanbieden en zeker niet een brede bachelor naar Amerikaans model. Het moet een flexibel eerste jaar zijn, waarin de student in overleg met de studieadviseur een weloverwogen studiepakket samenstelt dat kan variëren van één enkele studie tot een medley van verschillende studies.

Is zo’n flexibel eerste jaar echt nodig? Het is nu toch ook mogelijk om twee studies te doen of extra vakken te volgen? In principe wel, maar door de invoering van het Bindend Studie Advies en de beperking van de studieduur heeft de student nu weinig bewegingsvrijheid. Naar hartelust experimenteren is er niet meer bij. Daarnaast zijn er nu veel meer keuzemogelijkheden dan vroeger.

Volstaat een goede beroeps- of studiekeuzetest dan niet? Deze testen zijn zeker nuttig, maar een definitieve en positieve keuze kan alleen gemaakt worden op basis van persoonlijke ervaring met een bepaalde studie. Ze komen zichzelf pas echt tegen in de ontmoeting met de stof, met de andere studenten en met de docenten.

Leidt een flexibel eerste jaar niet tot een uitholling van bestaande studies? Dat valt wel mee. Op een aantal universiteiten is al sprake van een minorruimte. Het zou zeker helpen als die minorruimte in het eerste jaar werd geplaatst. Daarnaast is het bij de meeste studies best mogelijk het tempo iets op te schroeven, zodat de nodige stof toch kan worden overgedragen in de bachelor.

Kennisoverdracht is de primaire functie van een instelling voor hoger onderwijs; een tweede functie is het begeleiden van de student bij het maken van de beste studiekeuze.

Als studenten beseffen dat studiekeuze een belangrijk aspect van het eerste studiejaar is, dan zullen ze er ook bewuster mee omgaan: wat vind ik nou interessant, voor welke studie wil ik me echt inzetten? Wellicht zien we dan ook een omslag van de student als veeleisende consument naar de intrinsiek gemotiveerde en zelfsturende student.

Prof.dr. P. Michiel Westenberg is voorzitter van de sectie ontwikkelings- en onderwijspsychologie van de Universiteit Leiden.