Niet voor koekenbakkers

Vincenzo Scamozzi: Klassieke zuilenorden. Vert. Maaike Dicke, Koen Ottenheym, Wolbert Vroom. Architectura & Natura Press, 362 blz. € 79,–

Het moet raar lopen, wil Klassieke zuilenorden van de Venetiaanse laat-renaissancistische architect Vicenzo Scamozzi (1548-1616) niet het mooiste architectuurboek van het jaar 2008 worden. De tweede Nederlandse uitgave van een deel van Scamozzi’s verhandelingen over architectuur is nog indrukwekkender dan de eerste, ‘Villa’s en landgoederen’. Dat komt niet alleen doordat het met 362 bladzijden 76 pagina’s dikker is dan het enkele jaren geleden uitgegeven Villa’s en landgoederen, maar ook doordat het nieuwe deel het hart van de klassieke bouwkunst behandelt: de vijf zuilenorden.

Anders dan het woord doet vermoeden omvat elke zuilenorde meer dan alleen de zuilen. Ook piëdestallen, hoofdgestellen en al die vele andere onderdelen van de klassieke bouwkunst worden nauwkeurig uiteengezet in Klassieke zuilenorden. Tezamen vormen ze een nog altijd imposant geheel van onderling samenhangende onderdelen, waarin niets kan worden veranderd zonder dat het gevolgen heeft voor alle andere onderdelen.

Alles is voorbeeldig aan Klassieke zuilenorden. Elk van de 23 hoofdstukken van het bekendste deel van Scamozzi’s architectuurtraktaten begint met een prachtige, paginagrote kleurenfoto van Jan Derwig van een Nederlands 17de-eeuws gebouw waarin zuilen en pilasters de hoofdrol spelen, zoals het Mauritshuis in Den Haag en de Lakenhal in Leiden. De Italiaanse teksten – Scamozzi laat keer op keer nogal zelfingenomen weten dat hij alles beter weet dan alle andere architecten – hebben Maaike Dikke en K. Gaillard vertaald in soepel en helder Nederlands. Achterin staat een lijst met bouwkundige termen die het lezen nog gemakkelijker maakt. De lijst wordt voorafgegaan door een bijlage die precies uitlegt hoe de klassieke zuilenorden in elkaar zitten. En het geheel wordt voorafgegaan door een mooie inleiding van de architectuurhistoricus Koen Ottenheym die laat zien waarom Scamozzi’s verhandelingen het verdienen om voor het eerst sinds de 17de eeuw vertaald te worden.

Scamozzi is zeker niet de bekendste architect van de Italiaanse Renaissance. Architectuurminnaars gaan naar de Veneto voor de gebouwen van Andrea Palladio (1508-1580) en niet voor die van diens bijna-tijdgenoot Scamozzi. Scamozzi’s bekendste en grootste gebouw is de Procuratie Nuove in Venetië, waarvan de façades een groot deel van het San Marcoplein omgeven.

Toch is Scamozzi in Nederland invloedrijker geweest dan Palladio. Vooral zijn boek over zuilenordes, dat eigenlijk het zesde van zijn nooit helemaal voltooide tien boeken over architectuur was, is, al dan niet versimpeld, in de 17de eeuw verschillende malen in het Nederlands vertaald. In de inleiding legt Ottenheym precies uit hoe dat komt. Hij toont aan dat Scamozzi geen opschepper was en dat hij inderdaad beter, preciezer en toegankelijker dan Palladio in zijn vier boeken over architectuur uitlegde hoe de klassieke architectuur in elkaar zat. Hierbij vermeed hij de vereenvoudigingen waartoe Vignola (1507-1573) zijn toevlucht had genomen om de Romeinse bouwkunst ruim duizend jaar later opnieuw bruikbaar te maken. ‘Het is een buitengewoon verfijnd en subtiel systeem van maatverhoudingen, wars van simplificaties en willekeurige oplossingen’, schrijft Ottenheym over Klassieke zuilenorden. ‘Op het frontispies waarschuwt de auteur de gemakzuchtige lezer dan ook maar: dit is geen zaak voor jandoedels en koekenbakkers, hier gaat het om Architectuur.’

Misschien is het mooiste facet van de nieuwe Nederlandse vertaling van Scamozzi’s Klassieke zuilenorden wel de nutteloosheid. Behalve de architect die in opdracht van een Russische miljardair een kopie van de villa ‘Rocca’ Pisano moet bouwen, heeft geen Nederlandse architect echt boodschap aan Scamozzi. Zelfs de meest verstokte neotraditionalist zal het niet in zijn hoofd halen om een gebouw geheel volgens Scamozzi’s Romeinse zuilenorde te bouwen – daarvoor is dit veel te bewerkelijk. Uit Klassieke zuilenorden valt hoogstens de les te trekken dat goede architectuur tot in elk detail is doordacht. Hiervoor was een nieuwe vertaling van Scamozzi natuurlijk niet nodig. Maar juist deze nutteloosheid maakt Klassieke zuilenorden tot wat het is: een op zichzelf staand schitterend kunstwerk.