Man of vrouw, weekdierschap triomfeert

Nieuw in CS: de wekelijkse brievenwisseling tussen de schrijvers Gerrit Komrij en Hafid Bouazza.

Lieve Hafid,

Boeken, auto’s, vrouwen – je raakt liefst drie zere plekken tegelijk. Moet ik het uitschreeuwen van pijn of de zere plekken uitroepen tot een graasgebied, waarop ik als gulzige koe aan de slag ga om het gras te vermalen tot toverzinnen?

Ik beloof je dus om niet met je te wedijveren in beeldspraak. Straks slaat mijn koe nog de hand aan de ploeg.

Dat een geslaagde zin iets te maken zou kunnen hebben met het gevoel goed te hebben gescheten, daar zit niettemin iets in.

Ik behoor tot type twee, zoveel is zeker. Het type van de zere plek als godsgeschenk. Als één minuut de televisie aanstaat heb je gegarandeerd al een vrouwtje gezien dat au roept of klaagt of jammert of de medemens verwijt dat die haar niet voldoende te hulp schiet. Het kan ook een heertje zijn.

Mannen of vrouwen, het weekdierschap triomfeert. Ze doen hun mond open en er rolt een pijntje uit. Een onrecht. Een medische vergissing. Ze hebben recht op de expressie van hun stomste ongemak. De televisiemakers zijn gelukkiger dan ooit. Ze zetten hun camera’s en microfoons wijdopen. Hun televisie heet leedvermaak. Ik lig voortdurend in een deuk voor het toestel. Weer een verkeerd afgezet been. Weer een dochter die naar Australië vertrok om nooit terug te keren. Weer een diepchronisch oer-trauma.

’t Verschrikkelijke is dat de klagende patiënten zelf nooit doorhebben dat ze amusementsvoer zijn. Wat dat betreft zijn de Evangelische Omroep cum suis, de klassieke christelijken zal ik maar zeggen, de meest cynische pooiers in tegenslag geworden. De anderen kunnen er ook wat van.

Zelf zou ik zo snel mogelijk proberen een zere plek om te toveren. Ik zou met mijn leed zingende het eenzaam weiland ingaan en terugkeren met een parel. Dus toch een soort koe. De koe blijft een mooie metamorfosemachine.

Ja, ‘de dichter is een koe’ van Gerrit Achterberg, ook dat heeft er ingehakt.

Achterberg, nog zo’n zere plek. Ik vind het verontrustend dat hij als dichter zo verdween, alleen omdat hij in het dagelijks leven iets schijnt te hebben uitgevreten.

’t Is geloof ik al vijf jaar geleden dat Hans Maarten van den Brink in enkele columns in Vrij Nederland zijn afschuw uitsprak over Achterberg. Talenten hebben geen vrijbrief, we houden te weinig rekening met de slachtoffers, we moeten het slechte karakter van de Dichtende Mens altijd voor ogen houden, en nog wat van die open deuren. Nu maar hopen dat Hans Maarten van den Brink niet stiekem van zichzelf denkt dat hij een groot talent is omdat hij zo braaf is.

Snel terug naar boeken, auto’s, vrouwen.

Boeken verkopen lukt me niet, ze puilen het huis uit. Ze hangen in mandjes buiten de ramen. Onze laatste auto werd zeven maanden geleden door een tegenligger harmonikagewijs in elkaar geschoven. Het meisje van halve dagen brengt me af en toe met haar tufje naar de dorpskern en de supermarkt. Niet vloeiend, maar hortend en stotend . Als daar geen zere plekken van komen. Ik ga er iets vrolijks van maken.

Snel meer hierover, je Gerrit