Machteloosheid van een vredestichter

In Abyei, op de grens van Noord- en Zuid-Soedan, slaan de granaten weer in. Het geweld kan het einde inluiden van de vrede van 2005.

Stamhoofd Kwuol Deng houdt een mobiele telefoon en ooievaarsveren in zijn hand. Een kilometer verderop in het stadje Abyei, op de grens tussen Noord- en Zuid-Soedan, klinkt het doffe geplof van inslaande mortiergranaten. De traditionele bestuurder van het Ngok Dinka-volk probeert te bemiddelen tussen de partijen. Dikke rookwolken hangen boven het stadje. „We hadden dit verwacht, de Noord-Soedanese regeringstroepen hadden al eerder gedreigd Abyei plat te branden.”

Kwuol Deng neemt deel aan crisisoverleg tussen het Soedanese regeringsleger en het SPLA (Soedanees Volksbevrijdingsleger), de voormalige bevrijdingsbeweging van Zuid-Soedan en nu de regering van het autonome zuiden. Bij elke explosie geeft de ene partij onmiddellijk de andere de schuld. „Dit wordt niets”, klaagt Malony Tong, de secretaris-generaal van het SPLA. „Als de noordelijke soldaten zich niet terugtrekken uit Abyei komt er hier geen vrede.”

De geweldsexplosie van de afgelopen dagen in Abyei hing al langer in de lucht. De voornaamste reden is de aanwezigheid van 3.000 noordelijke soldaten in de regio rond Abyei, van wie 500 in de stad zelf. Volgens het in 2005 gesloten vredesakkoord tussen Noord- en Zuid-Soedan hadden alle noordelijke regeringssoldaten zich uit Abyei moeten terugtrekken. Veel geschilpunten tussen het gearabiseerde noorden en het Afrikaanse zuiden van Soedan concentreren zich in het omstreden gebied van Abyei. Een oorlog in Abyei kan het einde inluiden van het moeizaam bereikte vredesverdrag van 2005.

De legendarische Deng Majok van Abyei, een man met 28 vrouwen en vader van het huidige stamhoofd Kwuol Deng, maakte decennialang naam in zowel het noorden als zuiden door zijn niet aflatende pogingen Arabische nomaden en Afrikaanse Dinka-veehouders met elkaar te verzoenen. Hij verleende migratierechten aan de in het droge seizoen zuidwaarts trekkende Arabische nomaden en probeerde zuidelijke rebellen die het noorden de oorlog verklaarden, op afstand te houden. Abyei werd door hem een symbool van verzoening tussen noord en zuid.

De ligging op de scheidslijn betekende echter ook dat bij het uitbreken van de tweede Noord-Zuid oorlog in 1983 (de eerste was van 1955 tot 1972) de regio Abyei het eerste slagveld werd. Alle traditionele verzoening tussen stammen werd teniet gedaan toen SPLA en regeringsleger het gevecht aangingen. Strijders van Arabische stammen gingen Ngok Dinka’s roven en maakten hen tot slaven, het regeringsleger bombardeerde dorpjes en de SPLA-rebellen legden hinderlagen voor noordelijke ambtenaren. De regio Abyei, met een geschat inwonersaantal van 120.000, raakte goeddeels ontvolkt. De Ngok Dinka’s, die dankzij Deng Majoks inspanningen beter dan andere Zuid-Soedanezen hadden leren omgaan met de Arabische noordelingen, trokken massaal naar de hoofdstad Khartoum.

In het vredesverdrag van 2005 kreeg de regio een aparte status, want zij ligt in het noorden maar wordt bewoond door zuiderlingen. De inwoners van Abyei mogen in een speciaal referendum in 2011 stemmen of ze bij het noorden of het zuiden willen horen.

[Vervolg SOEDAN: pagina 5]

SOEDAN

‘Khartoum is gebaat bij problemen in Abyei’

[Vervolg van pagina 1] Stamhoofd Kwuol Deng hervatte in de geest van zijn vader na de oorlog de verzoening met Arabische buurvolkeren. „Dat leidde tot rust in het gebied, maar er bleven politieke spanningen bestaan”, zegt een hoge medewerker van de Verenigde Naties in het gebied. „Het komt de regering in Khartoum goed uit om de problemen in Abyei te laten voortduren.”

De regering in Khartoum kwam de bindende afspraak niet na om de door buitenlandse experts vastgelegde grenzen van de regio Abyei te accepteren en ze weigert het interimbestuur met een gouverneur van het SPLA te erkennen. Een deel van naburige Arabische nomaden heeft een verbond gesloten met het SPLA en is betrokken bij de traditionele verzoeningsbijeenkomsten. Maar een andere groep laat zich bewapenen door de noordelijke overheid. Deze aan de regering gelieerde strijders voerden de afgelopen maanden herhaaldelijk aanvallen uit op het SPLA of op Ngok Dinka-burgers, maar steeds weer wisten de traditionele leiders in samenspraak met de VN de branden snel te blussen. Tot deze week, toen een klein incident iets buiten Abyei voor het eerst tot grootschalige gevechten in de stad zelf leidde.

Een compromis over Abyei is voor het SPLA de proef op de som of de regering in Khartoum het vredesverdrag serieus neemt. Voor Khartoum gelden op korte termijn vooral economische belangen. Een groot deel van de oliewinning in het noorden komt van het Heiglig-olieveld in de regio en de regering wil de controle over het gebied daarom niet opgegeven. Tegen de afspraken in mogen militaire VN-waarnemers het gebied rond Heiglig niet betreden; Arabische milities en para-militaire eenheden van de door de regering gevormde Volksdefensiestrijdkrachten maken er de dienst uit. Over drie jaar zullen de olievoorraden in de region Abyei uit de grond zijn gepompt en zal de regering in Khartoum zich mogelijk soepeler opstellen.

„We kunnen hier vrijwel niets doen voor de bevolking doen”, beaamt vicegouverneur Musa Malei van Abyei. „We hebben geen inkomsten, ik werk zonder salaris.” In afwezigheid van een politiek compromis over Abyei ontvangen de plaatselijke SPLA-bestuurders niets van de olieinkomsten en leiden de teruggekeerde inwoners een schraal bestaan. Stamhoofd Kwual Deng streelt zijn ooievaarsveren en verzucht: „Er bestond grote frustratie onder de bevolking van Abyei en nu is iedereen weer weggevlucht voor de gevechten. Net als bij het begin van de oorlog 25 jaar geleden. Onze hoop op een ander leven dreigt opnieuw in vlammen op te gaan”.