‘Liever een bedreiger, dan een gemarginaliseerde pion’

Voor het Hof in Den Haag staat volgende week de kunst terecht: Kamerlid Geert Wilders voelt zich bedreigd door werk van Jonas Staal. Staal wil dit hoger beroep vormgeven als een performance: ‘geen verdediging, maar een aanval’.

Wat hieronder volgt, zijn aantekeningen van een vervolgde kunstenaar. Jonas Staal (26) werkt aan een toespraak voor het gerechtshof in Den Haag, waar hij deze week in hoger beroep terecht staat op verdenking van bedreiging. De Rotterdamse rechtbank had Staal vorig jaar vrijgesproken, maar het Openbaar Ministerie was daartegen in beroep gegaan. Aanleiding tot de strafzaak is de aangifte van Kamerlid Geert Wilders, die zich bedreigd acht door een kunstwerk van Jonas Staal. Die had in april 2005 op verschillende plaatsen in Den Haag en Rotterdam een serie van 21 kleine monumenten opgericht van het soort dat eerder na de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh ontstond: op een boom bevestigde foto’s van Geert Wilders met witte rozen, waxinelichtjes in glazen stolpjes en een teddybeer. Verdachte Staal claimt de hoger beroepszaak als onderdeel van zijn werk De Geert Wilderswerken – Een rechtszaak II. Zijn ontwerp voor een rede in de rechtszaal, met de titel Pleidooi II luidt als volgt:

"Ik spreek vandaag niet in de hoedanigheid van verdachte, als potentiële bedreiger of activist. Ik spreek hier vandaag als Jonas Staal, beeldend kunstenaar en pamflettist. En wat hier plaatsvindt, geachte raadsheren, is mijn werk.

Als beeldend kunstenaar ben ik mij bewust van het rechtsysteem, maar dat betekent niet dat dit systeem daarom ook meteen het kader bepaalt waarin ik beslis de een of de andere overweging te maken in de totstandkoming van mijn projecten. Ik ben steeds meer overtuigd geraakt van de noodzakelijkheid om binnen de context van mijn werk als beeldend kunstenaar analyses op te voeren, waarin het rechtsysteem als leidende vorm ter discussie wordt gesteld (..).

Het door mijzelf meten van elke uiting of uitspraak aan de grenzen van het recht, zou onvermijdelijk een vorm van zelfcensuur inhouden; het zou mijn kunstenaarschap tot willig slachtoffer maken van de fictie die wij democratie noemen: een systeem dat vrijheid en vrije keuze als belangrijkste fundamenten communiceert, maar niet in staat blijkt te zijn om te gaan met keuzes of handelingen, die haar op een essentieel niveau bevragen en de confrontatie aangaan met haar voornaamste principes

Een dergelijke ongelijkwaardige verhouding van de kunstenaar ten opzichte van de rechtsstaat zou er een zijn van totale instrumentalisering: slechts in de toegestane marges van dit kader, waar het spook van de ‘vrijheid van meningsuiting’ wezenloos rondwaart, zou ik mij dan nog beperkt kunnen bewegen. Alleen op het terrein waar ik geen enkele invloed op de ordening van het publieke domein zou hebben, word ik dan getolereerd, dat wil zeggen: ‘gepassiviseerd’. Dit ten dienste van de rechtsstaat, die daarmee de illusie in stand houdt kritiek te ondersteunen, dat het geluid van schrijvers en kunstenaars ‘er toe doet’. Maar wat betekent deze publieke ruimte als slechts enkele geïnstitutionaliseerde spelers hier een alleenrecht op claimen, wat betekent democratie of de zogenaamde ‘vrijheid van meningsuiting’, wanneer zij slechts als politieke speeltjes worden ingezet, waarin de gebruiker – de kunstenaar – slechts een pion is in een beleidsspel? (..)

In mijn werk neemt het ter discussie stellen van de vorm en het gebruik van het publieke domein een centrale positie in – of het nu gaat om publieke ruimte op zichzelf of om de kaders waarbinnen burgers zich kunnen uiten in de vorm van discussie of debat. Mij deze mogelijkheid te ontnemen of mij deze laten ontnemen onder druk van externe factoren – zoals de persoonlijke emoties van een volksvertegenwoordiger – betekent mijn verantwoordelijkheid als kunstenaar laken. (..) In dat geval verkies ik een bedreiger te zijn, boven een getolereerde, en dus gemarginaliseerde pion (..).

Deze rechtszaak is binnen de lijn van denken die ik zojuist heb uiteengezet, onvermijdelijk onderdeel geworden van mijn werk. Dit maakte het noodzakelijk om zowel de vorige zaak, die diende in Rotterdam, als deze zaak aan te kondigen en te documenteren als een werk van mijn hand; als een performance, een happening: een onderdeel van het populistische theater dat de afgelopen jaren is en met onverminderde kracht nog steeds wordt opgevoerd, met dank aan een sentimentele politiek, waarin de heer Wilders (..) voor mij als de absolute aanvoerder geldt.

Met De Geert Wilders werken, zestien installaties uit 2005, heb ik de persoonscultus in de politiek geduid; een fundamentele vervaging die is opgetreden tussen de vertegenwoordiger van een politieke boodschap, en deze boodschap zelf. Dat is een ontwikkeling, waar ik het zogenoemde herdenkingswerk, dat in zijn huidige vorm in Europa zijn intrede deed met het overlijden van prinses Diana in 1997, representatief voor acht. Vanuit de oorspronkelijk katholieke context waar het herdenkingswerk uit voortkomt, zijn deze uitstallingen van kaarsen, bloemen en allerhande parafernalia gekoppeld aan een ritueel waarin dood en rouw centraal staan. Een ritueel dat correspondeert met de bedreigingscultus die op dit moment heerst rondom publieke figuren, waarin de heer Wilders een iconische positie inneemt. Maar in onze huidige tijd, sinds de opkomst van wat ik de Nederlandse Populistische Stroming noem, die zijn intrede deed in 2001, toen politicus Pim Fortuyn aankondigde deel te nemen aan Rotterdamse en landelijke verkiezingen, zijn dit net zo goed uitingen van de populaire cultuur, van de cult- en celebrity status die politici en andere publieke figuren hebben verkregen. Hierdoor nemen hun persoonlijke achtergronden en emoties een even grote rol in als hun politieke positionering. Ook andere aspecten, zoals de doorbreking van het taboe publiekelijk te speculeren over de dood van publieke individuen als de heer Wilders en de intimiteit van de installaties die ik oprichtte, representatief voor de persoonlijke verhouding en verering van burgers jegens de bijna ‘ridderlijke’ positie van de heer Wilders, spelen een belangrijke rol in deze serie werken. Daarmee acht ik deze installaties zowel relevant binnen een kunstzinnige context, als een onderzoek naar de historische transitie die het herdenkingswerk als beeldvorm heeft ondergaan. Ook zijn ze relevant binnen een politiek-maatschappelijke context, waarin mijn werk publiekelijk een analytische positie inneemt, waarin de macht van media en politiek in de ordening en het beheer van de publieke ruimte wordt geanalyseerd, en waar nodig, geherarticuleerd.

Niets is méér tekenend voor de huidige staat van onze politiek dan het gegeven dat een serie kunstwerken die juist deze conditie ter discussie stelde, resulteert in een rechtszaak aangestuurd door de persoonlijke emoties van een volksvertegenwoordiger, emoties die hebben geleid tot de gewillige instrumentalisering van het Openbaar Ministerie voor populistische doeleinden. Waarom, vraag ik u, ben ik überhaupt op de hoogte van de persoonlijke situatie van de heer Wilders? Waarom weet ik, naast het feit dat hij publiek heeft gemaakt te leven onder permanente dreigementen, van zijn reizen in het Midden-Oosten, het sigarettenmerk dat hij rookt, zijn favoriete films en supermarkt en het interieur van zijn tijdelijke verblijf in detentiecentrum Kamp Zeist? Waarom? Omdat hij er, samen met vele andere politici, voor kiest zijn achtergrond te gebruiken als instrument, als een wapen, waar media zich gewillig op werpen, met ongekende consequenties van dien. Want de vraag vandaag is: is deze rechtszaak niet alleen het gevolg van een sentimentele politiek, een politiek die zich inmiddels al sinds te lange tijd heeft laten gijzelen door het Volk – een Volk dat voor zijn irrationele aanspraak op de politiek niet wordt terechtgewezen, maar zelfs gestimuleerd in zijn luie engagement – maar zal het oordeel van dit hof dan niet ook de introductie kunnen zijn van een sentimenteel recht?

Een zuiver objectieve benadering, geachte raadsheren, bestaat niet. Dat weten de media, dat weet de politiek, en daar handelen zij ook naar – een op zichzelf niet problematisch gegeven. Maar dat de populisten op ramkoers liggen tegenover het streven naar een objectieve benadering (..) dat is een intens gevaarlijke tendens. (..) Aangezien ik deze rechtszaak, zoals ik zojuist heb gezegd, binnen mijn oeuvre onderbreng, zal uw uitspraak in deze zaak in mijn analyse van de popularisering van politiek, media en recht, een sleutelrol vervullen.

Een ieder die zich mengt in het publieke debat accepteert daarmee de verantwoordelijkheid vertegenwoordiger van bepaalde ideeën te zijn, en dus daarmee te worden geassocieerd. Ook de heer Wilders behoort dit te weten en heeft hierin een duidelijke keuze gemaakt, en hoewel hij in deze keuze waarschijnlijk meer rekening houdt met het verschijnen van spotprenten aan zijn adres dan met een serie publieke installaties in de context van de hedendaagse kunst, maakt zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de vorming en het gebruik van een kader en te hanteren methoden voor publiek debat, niet minder toeschrijfbaar.

Ik benadruk in het verlengde hiervan dat de heer Wilders in deze zaak zelf – net als ik – een grote verantwoordelijkheid draagt. De heer Wilders heeft zich sinds zijn intrede in de politiek altijd zeer scherp uitgesproken voor ‘het recht op de vrijheid van meningsuiting’ (..). Wilders heeft zelf extreem vaak een beroep gedaan op dit recht, onder meer door de publicatie van de zogenaamde Deense cartoons met afbeeldingen van de profeet Mohammed op zijn politieke website, op het hoogtepunt van een hevige internationale discussie betreffende artistieke vrijheid in 2006, en meer recentelijk dit jaar, met zijn film Fitna – keuzes die ik hem overigens geenszins kan of wil kwalijk nemen. Wat ik met deze opsomming wel aan wil tonen, is het feit dat de heer Wilders al jaren een klimaat vertegenwoordigt waarin individuen worden gestimuleerd zich publiekelijk uit te spreken, ook wanneer dit een boodschap betreft die voor mensen shockerend of zelfs bedreigend over kan komen. Het betreft hier dus een klimaat waar hij medeverantwoordelijk voor is en binnen welke context mijn eigen werk net zo positioneerbaar is. Echter, de steun van de heer Wilders gaat alleen uit naar mensen die uitingen doen die zijn eigen standpunten bekrachtigen. (..) Wie op ondubbelzinnige wijze een recht als dat van de vrijheid van meningsuiting vertegenwoordigt en voorvecht, dient te accepteren dat hier op wordt gereageerd, al dan niet publiekelijk. Dat deze reactie – in dit geval in de vorm van mijn serie installaties – voor Wilders ongewenst blijkt, is geen reden om deze gerechtelijk te veroordelen. Dat hij zijn aangifte jegens mij niet heeft ingetrokken, is in die zin een teken van grote zwakte en hypocrisie binnen zijn eigen discours.

Daarbij teken ik aan dat de huidige discussie over ‘de vrijheid van meningsuiting’ naar mijn mening groteske en pathetische vormen heeft aangenomen, en ik wil dan ook nadrukkelijk duidelijk stellen dat ik in deze discussie op geen enkele wijze appèl wens te doen ten bate van mijn ‘verdediging’, en ik aan deze discussie, in zijn huidige vorm, al helemaal niet wens ‘bij te dragen’. Dat wil zeggen: noch mijn claim op deze rechtszaak als onderdeel van mijn werk, noch in de mediëring hiervan naar mijn publiek, wens ik mijn vijanden, de populisten, wapens in handen te geven in deze reeds betekenisloos geworden strijd. De uitholling van het publieke debat, de continue herbevestiging van dezelfde thema’s als het gaat om ‘de Islam’, ‘Censuur’ en de zogenaamde ‘noodzaak tot debat’, worden uitgespeeld in dommige dualismen, door een continue doorloop van dezelfde standpunten door dezelfde vertegenwoordigers, die door de media gretig in een tsunami van soundbytes worden omgezet, om tot droefenis toe wezenloos dezelfde ‘meningen’ publiek te maken. Als kunstenaar en als intellectueel ervaar ik het als mijn plicht deze ongekend pathetische orde te ondermijnen en te herformuleren binnen de context van die orde zelf: deze rechtszaak. (..). "

De performance/happening ‘De Geert Wilderswerken / Een rechtszaak II’ vindt woensdagmiddag a.s. plaats in het Haagse Gerechtshof, vanaf 14.00 u. (Prins Clauslaan 60, Den Haag. Openbaar toegankelijk, reserveren niet mogelijk).