Ik zal er altijd klaar voor zijn

Patrick Makaske (33) is marinier en wordt binnenkort uitgezonden naar Tsjaad.

Elke vrijdag een gesprek over hoe iemand zich ontspant en weer oplaadt.

Korporaal Patrick Makaske (33), geboren Ommenaar, is de man van het avontuur. Hij maakte de lts elektrotechniek af, en koos toen voor een sportopleiding, het CIOS in Heerenveen. Via een project van het NOC*NSF belandde hij in Zuid-Afrika, waar hij als sportinstructeur een half jaar onderwijzers leerde gym te geven. Hij plakte er nog een half jaar aan vast om kinderen op het platteland te leren cricketen en volleyballen. Hij sliep in een lemen hutje in Nelspruit, provincie Mpumelanga. En toen wist Makaske het. Hij wilde uitdagend werk doen waarbij hij op zichzelf aangewezen zou zijn, maar toch onderdeel van een team. Makaske werd marinier. Probleemloos doorliep hij in 1998 de psychologische en fysieke tests.

Nu, tien jaar later, staat hij op het punt voor de tweede maal te worden uitgezonden. Begin juni gaat hij met 59 Nederlandse mariniers voor vijf maanden naar Tsjaad, als onderdeel van de 3.700 man sterke EU-missie Eufor. Doel van de missie is het beschermen van mensen die op de vlucht zijn geslagen voor het geweld tussen de Tsjadische regering en rebellentroepen, en voor het conflict in de aangrenzende Soedanese regio Darfur.

Wist u dat er een nieuwe uitzending aan kwam?

„Er zoemden al een poosje geruchten rond over een mogelijke uitzending. Begin februari, tijdens een arctische training in Noorwegen, werden we gebrieft. Eindelijk, dacht ik. Na al die trainingen wilde ik weer uitgezonden worden. Daar doe ik het allemaal voor. Je bereidt je als marinier voortdurend op een mogelijke uitzending voor. Ik volgde bijvoorbeeld het nieuws over Uruzgan, hield in de gaten hoe de situatie zich daar ontwikkelde. Zou ik daar naar toe worden uitgezonden? En nu ga ik dus naar Tsjaad.”

Voor een verkenningstaak.

„Ja. We gaan met z’n zestigen helpen het gebied in kaart te brengen en we zullen ook helpen vluchtelingen te beschermen. Het doel is de regio stabieler te maken, waarna de Verenigde Naties in maart 2009 de missie zullen voortzetten. Is er ergens in een vluchtelingenkamp nood aan de man, dan gaan we daar naar toe, samen met onze tolken. Als onze veiligheid of die van vluchtelingen in het geding is, mogen we geweld gebruiken.”

Is dat een veilig idee?

„Je kunt er op terugvallen en dat voelt veilig. Op mijn eerste missie in Eritrea heb ik wel gevaarlijke situaties meegemaakt. Al viel het over het algemeen mee. Ik werkte als combat life saver, een soort medisch assistent. Ik gaf vluchtelingen basale medische hulp, zoals het behandelen van kleine verwondingen en het aanleggen van een infuus.”

Wat voor ‘gevaarlijke situaties’?

„Dat vertel ik niet. Nee. Ik vertel dat zelfs niet aan mijn familie en vrienden, behalve aan één maatje van me. Een burgermaatje. En ja, ik heb het er hier in Doorn wel eens over, aan de bar, met de anderen. Dan vertelt die eens wat, en dan vertel je weer wat terug. Daar in Eritrea deelden we onze belevenissen ook al wel. En toen we terugkwamen na de missie hebben we als peloton ons eerst twee dagen afgezonderd in België. Kregen we een barbecue aangeboden door Defensie. Daar spraken we met een psycholoog over onze ervaringen. Per peloton, per geweergroep, per individueel marinier. Dat was heel goed voor de verwerking.”

En nu begint het opnieuw.

„Ik ga erheen voor het avontuur. Sommige mensen betalen 5.000 euro om op safari te kunnen gaan, en zelfs zij komen niet op de plekken waar wij als marinier kunnen komen. Daarvoor doe ik dit werk. Als je elke dag hetzelfde doet, als je elke dag aan een bureau zit te werken, dan verslap je. Mentaal. Met mijn baan weet ik ’s morgens nog niet wat ik die dag ga meemaken. Ook op een missie zijn de dagen nooit hetzelfde.”

Intussen loopt u wel gevaar.

„Het kán gevaarlijk worden, ja. Ik ga naar een probleemgebied. Maar daar zijn we voor getraind, en we zullen er klaar voor zijn. Kijk, als ik zestig of zeventig ben, en mijn kleinkinderen mij vragen wat opa allemaal heeft gedaan, dan wil ik kunnen terugkijken op een mooi leven. Ook als ik nu terugkijk, na tien jaar, dan heb ik al veel gedaan.”

Wat waren zware momenten voor u?

„Dat was op Texel, tijdens de opleiding die ik moest doorlopen toen ik bij het korps kwam. Daar sliepen we in een hol dat we zelf hadden gegraven, en waar telkens iemand de wacht moest houden. Je mocht maximaal twee uur slapen maar het hol was koud en nat dus voor je in slaap viel was je anderhalf uur verder. Ik denk dat ik in tien dagen tijd vier à vijf uur heb geslapen. Ik ging me dingen inbeelden, zag mensen die er niet waren. Totdat het lichaam niet meer wilde. Op dat soort momenten helpen we elkaar. Slaan we een arm om elkaar heen, praten we op elkaar in.”

En wat zeggen jullie dan?

„Jeuk is leuk, pijn is fijn, bloed moet, bijvoorbeeld. Of we grappen een beetje. Dit stond niet in de brochure, zeggen we dan, om elkaar er erdoorheen te trekken. Zo van: we hebben nu iets bereikt, dus kunnen we nog wel een stapje verder. Die grote oefeningen, en de missies, binden voor het leven. En die band, dat heet korpsgeest. Dat betekent dat je elkaar helpt als je het zwaar hebt. Je lacht samen, je huilt samen. De korpsgeest is het drijfveer van het korps. Dat merk je ook op bijeenkomsten waarvoor ook veteranen zijn uitgenodigd. Voor hen heb ik ontzag, maar ik voel ook dat er een band is tussen hen en mij. Er zijn alleen oud-mariniers, ex-mariniers bestaan niet. Die fout maken media nog wel eens. Maar ja, burgers hebben moeite zich in de korpsgeest in te leven.”

Vertelt u daarom ook niet alles over wat u als marinier meemaakt?

„Dat heeft er wel mee te maken. Hoe moet ik nu uitleggen wat ik hier dagelijks doe? Dat is moeilijk te verwoorden. Tuurlijk, vrienden en familie weten heus wel wat ik zoal doe. Maar als ik iemand tegenkom, zaterdag in de kroeg, die vraagt naar mijn beroep, loop ik er niet mee te koop. Putjesschepper, zeg ik dan, of dolfijnentemmer. Ik ontloop de discussie want anders duwen ze mij in een hokje. Dan ben ik ineens een macho, of een patser, of een bikkel. Dat denkt de gemiddelde Nederlander namelijk en dat vind ik jammer.”

U bent geen macho, of een patser, of een bikkel?

„Nee, ik ben ondernemend, zou ik zeggen. Ik kan niet stilzitten. In het weekend klus ik in mijn huis, ik ben al tweeënhalf jaar bezig met een verbouwing. En in de zomervakantie doe ik dingen die in het verlengde van mijn werk liggen. Klimmen, kanoën, werken als uitsmijter in een discotheek. En ik houd vakbladen bij, over sport, over wapens, over voertuigen, over nieuwe radioapparatuur. Als ik zou stoppen met leren, zou ik op een lager niveau terechtkomen.”

En dat is niet de bedoeling.

„Zeker niet, want ik heb het naar mijn zin op mijn werk. Vooral omdat ik mezelf kan ontplooien. En omdat het zo afwisselend is. De ene keer springen we van 12.000 voet hoogte uit een vliegtuig, dan gaan we weer schieten op de Leusder Heide. En dan ben je ook weer gemotiveerd om naar Tsjaad te gaan. Weer iets nieuws. Ik voel me als een kind op zijn eerste schooldag: wat ga ik zien, wat ga ik meemaken? Ik ben een nieuwsgierig mannetje.”