‘Het was een jeugddictatuur’

Van de vele boeken over 1968 is dat van Götz Aly het meest omstreden. Hij rekent af met zijn generatiegenoten, die even totalitair waren als hun ouders.

Duitsland en 1968 – er is in dit jubileumjaar nog geen maand voorbij gegaan of er kwam wel een herinneringsboek uit. En er was haast geen dag zonder een artikel over ’68 in de feuilletonkaternen of op de opiniepagina’s van de kranten. Algemene teneur: zonder de revolte van 1968 was de Bondsrepubliek reddeloos verloren geweest. Verstard in een ouderwetse structuur, met een vooroorlogs ‘heersend systeem’ en een gruwelijk, onverwerkt verleden. Het is de naoorlogse generatie geweest, twintigers rond het magische jaar 1968, die de ban doorbrak en het land op het spoor van de modernisering zette.

Zo luidt althans de heersende opvatting. Götz Aly (61), historicus, journalist en schrijver, maakt in zijn onlangs verschenen Unser Kampf: 1968, ein irritierter Blick zurück korte metten met dit standpunt. Hij was zelf als rebellerende linkse student actief in de beweging van ’68 en zegt nu hoeveel moeite het hem kost om aan zijn eigen kinderen uit te leggen wat hem destijds dreef.

Unser Kampf, een titel die verwijst naar Adolf Hitlers Mein Kampf, is een genadeloze afrekening met de Duitse versie van 1968. Aly laat geen spaan heel van zijn linkse generatiegenoten, van de doelen die ze najaagden en van de mythe die ze hebben gecreëerd. Ook zichzelf spaart hij niet. De kritiek was oorverdovend na het verschijnen van zijn boek. Veel van zijn generatiegenoten en hun epigonen, nog steeds prominent in de media vertegenwoordigd, sabelden het werk neer.

Maar anders dan de meeste boeken over 1968 ventileert Aly niet louter opinies. Hij heeft serieus onderzoek gedaan en ging de archieven in: van de Bondskanselarij, de betrokken ministeries en de binnenlandse veiligheidsdienst. Het resultaat is een boek met bronnen, citaten en daardoor een historische context die geloofwaardig overkomt.

Götz Aly blijkt een vriendelijke man te zijn, die in een gesprek net zo graag provoceert als in zijn boek. We spreken hem in Erfurt, in het verbouwde hotel Erfurter Hof, waar in 1970 toenmalig bondskanselier Willy Brandt zich vanuit zijn hotelraam liet toejuichen door enthousiaste DDR-burgers, na afloop van de eerste Duits-Duitse topontmoeting.

Aly’s centrale punt is zijn verwijt aan de 68’ers dat ze net zo totalitair waren als de oudergeneratie – maar dan omgekeerd. Ze hingen het maoïsme, marxisme, of leninisme aan, terwijl hun ouders fanatieke volgelingen van Hitler waren. Aly: „Het geweld dat onze ouders hadden ervaren, heeft op ons doorgewerkt. Ik zie 1968 als een erfenis van het totalitarisme van de generatie van 1933. Het gif was doorgegeven en zat ook nog in ons.” En dat gif moest volgens Aly worden uitgezweet tijdens de woelingen van 1968. „Het was geen revolutie, het was een crisis. Een koortsachtig helingsproces dat stonk en pijn deed.”

In West-Duitsland was 1968 vooral strijd. Strijd tegen de ‘heersende klasse’, tegen de regering, tegen het openbare leven – waarin ex-nazi’s hoge functies innamen – tegen de hoogleraren op de universiteiten en tegen de ouders thuis. Ook Aly deed er volop aan mee. ,,In een land als Nederland verliep 1968 vreedzaam. Bij ons brak in 1967 na de dood van Benno Ohne–sorg (een door een politieman neergeschoten student – red.) meteen de hel los. Strijd, Kampf in het Duits, was een centraal begrip in die tijd. Alles en iedereen moest worden bestreden. Ieder compromis of elke poging tot overleg was per definitie verdacht. We waren verschrikkelijk intolerant. Ook daarin waren we nog niet vrij van Hitler. Er zijn opmerkelijke parallellen tussen de fanatiek linkse studenten van 1968 en de anti-burgerlijke, nationaal- socialistische studentenbeweging in de jaren dertig. In beide gevallen gaat het om een jeugddictatuur.”

Vlugschriften

Götz Aly studeerde aanvankelijk journalistiek in München, maar ging omstreeks 1968 naar Berlijn om daar geschiedenis en politieke wetenschappen te studeren. ,,Ik was een linkse student en heb actie gevoerd, manifesten en vlugschriften geschreven en meegewerkt aan buitenparlementaire oppositie. In Berlijn belandde ik in de cel omdat we op een internationale beurs tegen het Griekse kolonelsbewind hadden gedemonstreerd. Een paar jaar later ben ik wegens huisvredebreuk en beschadiging van andermans eigendommen tot de milde straf van 1200 Mark boete veroordeeld.”

In zijn boek neemt Aly het op voor de autoriteiten van destijds. Sommige politici en hoogleraren blijken volgens hem het hoofd verrassend koel te hebben gehouden in die turbulente dagen. Aly’s helden zijn, postuum, mensen als Richard Löwenthal en Ernst Fraenkel – gerepatrieerde joodse hoogleraren aan de Freie Universität in West-Berlijn – en de toenmalige minister van Justitie en latere bondspresident, Gustav Heinemann.

,,De staat werd volkomen overrompeld door de crisis van ’68 en had er aanvankelijk geen antwoord op. Maar niet lang daarna zie je dat mensen als Heinemann en bondskanselier Kurt Georg Kiesinger zich herpakken en zich in onze problemen beginnen te verdiepen. Ook van politici als Helmut Kohl, Ralf Dahrendorf, Hans- Dietrich Genscher en Hans-Jochen Vogel, die de Tweede Wereldoorlog nog hadden meegemaakt maar te jong waren om dader te zijn, kun je achteraf zeggen dat ze zich door ons niet gek hebben laten maken. Wij waren gevoelsmatig afgestompt; zij hadden begrip, probeerden naar ons te luisteren en probeerden met legitieme middelen de orde te handhaven.”

Volgens Aly voltrok een belangrijk deel van de revolte zich thuis, in de beslotenheid van het gezin. ,,Aan tafel gaven wij, de opstandige kinderen, onze ouders de schuld van de oorlog. Ze hadden alles geweten, tot en met de moord op zes miljoen joden – en ze hadden er altijd over gezwegen. Kijk naar mijn vader, een typische representant van zijn generatie. Hij was bij de Hitlerjugend geweest, was partijlid en werd later als reserve-officier van de Wehrmacht naar het oostfront gestuurd. Daar is hij zwaargewond geraakt, wat overigens zijn leven heeft gered. Over de oorlog was met hem nauwelijks te praten. De verwijten die wij onze ouders maakten, en waarover zij niet wilden spreken, projecteerden we vervolgens op het heersende systeem: op de staat, de universiteit en iedereen die het oneens met ons was.”

De rebellie leidde hier en daar tot ernstige ontwrichtingen. In West-Berlijn werd in 1968 studentenleider Rudi Dutschke door een tegenstander neergeschoten, een daad die talrijke demonstraties tot gevolg had. Ook in Frankfurt werd geprotesteerd en kwam het tot gewelddadigheden. Uit de beruchte APO, de Ausserparlementarische Opposition, kwam uiteindelijk de linkse terreurbeweging RAF voort, de Rote Armee Fraktion. Overal roerden de studenten zich. In de West-Duitse universiteitsaula’s was de meest gehoorde kreet: ‘Unter den Talaren – Muff von tausend Jahren’ (onder de toga’s hangt een walm van duizend jaar). Er was zeker behoefte aan hervormingen in de Bondsrepubliek, beaamt Aly. Aan het eind van de jaren vijftig, begin zestig was sprake van een verstarring. Enkele jaren later kwamen geleidelijk de eerste veranderingen, in de politiek en aan de universiteiten. ,,De universiteiten van West-Berlijn en Frankfurt zijn in die tijd zelf aan het hervormen gegaan. De 68’ers hebben zich als een parasiet in die spagaat van oud en nieuw genesteld. Met alle gevolgen van dien.”

Aly ziet de activisten van 1968 nadrukkelijk niet als vernieuwers, maar eerder als deel van een probleem – de oorlog – dat zij zelf niet hadden veroorzaakt en ook niet zelf konden oplossen. Voor het zwijgen van de generatie van zijn ouders toont hij nu begrip. ,,Na zo’n vernietigingsoorlog, een massatrauma, moeten de daders hun mond houden. Je kunt meteen daarna niet over alles praten, dan ontstaan enorme problemen. Het leven moet doorgaan. In de jaren vijftig had bondskanselier Konrad Adenauer gelijk met zijn uitlating dat zolang je geen schoon water hebt, je het vuile niet kunt weggooien. Waarmee hij de vele ex-nazi’s bedoelde, die in die tijd nog tal van functies bekleedden.”

Vrouw

Over de erfenis van ’68 is Aly kritisch. Volgens hem blijft er niet veel van over. De seksuele revolutie, de definitieve vrijmaking van vrouw, de algemene liberalisering van de samenleving, politieke vernieuwing – ,,het was toch wel gekomen”. Hij verwijt zijn generatiegenoten dat ze nog steeds ,,in een roze wolk” leven: 1968 wordt geromantiseerd, de daden zijn tot heldendaden uitgegroeid.

En hij herhaalt met zoveel woorden wat hij aan het slot van zijn boek schrijft: ,,Als je uitsluitend naar de aantallen kijkt, is het volgende gebeurd. Ongeveer 200.000 mensen demonstreerden destijds actief tegen het ‘heersende systeem’, op een bevolking van 60 miljoen mensen. Die 200.000 hebben de geschiedenis niet ingrijpend kunnen veranderen. Van die groep hebben zich later 180.000 mensen netjes aangepast. De resterende 20.000 zijn doorgegaan, maar faalden in hun missie, de revolutie. Kortom, van de 68’ers resteert het mislukken van hun ideeën, en dat is maar goed ook. De revolutionairen van toen zijn opgegaan in een maatschappij die zich aan de crisis aanpaste en zichzelf nog wist te vernieuwen ook.”

Ook Götz Aly paste zich aan, na een paar wilde jaren. ,,Door mijn kinderen, we hebben er vier, kwam ik uiteindelijk weer met twee benen op de grond te staan.”

Götz Aly: ‘Unser Kampf: 1968 - ein irritierter Blick zurück’. S. Fischer Verlag, 256 blz. € 20,–