Geef ons de melancholie

Het succes van antidepressiva leidt tot ‘een maatschappij van zelfgenoegzame zombies’, luidt de portee van een stapel boeken over onze psyche. Maar waarom dit verzet tegen geluk?

Lisa Appignanesi: Mad, Bad and Sad A History of Women and the Mind Doctors from 1800 to the Present. Virago, 541 blz. € 32,–

Trudi Dehue: De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen. Augustus, 335 blz. € 17,90. (Verschijnt eind mei.)

Christopher Lane: Shyness. How Normal Behavior Became a Sickness. Yale University Press, 263 blz. € 24,–

Darian Leader: The New Black. Mourning, Melancholia and Depression. Hamish Hamilton, 223 blz. € 32

Sonja Lyubomirsky: The How of Happiness. A Scientific Approach to Getting the Life You Want. The Penguin Press, 367 blz. € 25.-

Eric G. Wilson: Verslaafd aan geluk. Contact, 175 blz. € 17,95.

Kapitalisme is goed voor de ziel. Dat las ik in een artikel op internet van de Australische sociaal wetenschapper Peter Saunders, met de titel ‘Why capitalism is good for the soul’. Kapitalisme, schrijft Saunders, heeft ervoor gezorgd dat mensen gemiddeld langer, gezonder, rijker en gelukkiger leven. Toch heeft het kapitalisme, in tegenstelling tot socialisme en communisme, nooit veel romantische aantrekkingskracht gehad. Jaar in, jaar uit kreeg Saunders van zijn studenten aan de universiteit te horen dat ‘de mensen te materialistisch waren geworden’ – dat ze betere en hogere dingen moesten gaan nastreven dan bezit, dat de ‘kapitalistische machine’ gestopt moest worden. Maar als Saunders dan vroeg op welk moment in de geschiedenis die machine het best uitgezet had kunnen worden, antwoordden ze (jaar in, jaar uit): ‘Nu!’

Zelf wilden ze hun iPods, goedkope vluchten, comfortabele huizen, gunstige medische situatie, hoge onderwijsniveau en grote hoeveelheid vrije tijd niet missen, maar toekomstige generaties moesten het maar doen zonder de voordelen waar het kapitalisme nog mee zou gaan komen. ‘Ik vroeg me altijd af’, zegt Saunders, ‘wat ze ervan zouden vinden als hun ouders en grootouders er ook zo over hadden gedacht en als ze de economische groei twintig of vijftig of honderd jaar geleden hadden stopgezet.’

Ik moest aan dit verhaal denken bij het bekijken van een stapeltje nieuwe boeken over depressie en geluk. Op het terrein van de psyche is namelijk iets vergelijkbaars aan de hand. We hebben het goed, in het rijke Westen, maar nooit eerder zijn we zo overspoeld met geluksboeken en antidepressie-cursussen. En nu komt er een tegenreactie op gang. Allerlei mensen vinden ineens dat de geluksindustrie te ver gaat: we moeten maar eens ophouden met minder somber en nóg gelukkiger willen worden. En wanneer dan? Nu.

Er is een heel nieuwe generatie depressie- en geluksauteurs die zich tegen de geluksindustrie keert – en niet eens met het argument dat het voortdurend najagen van geluk ongelukkig maakt. Nee, een van de belangrijkste redenen is het succes van antidepressiva, met name het commerciële succes (want er is nogal wat discussie over de vraag of die pillen ook echt werken). Alledaagse gevoelens zoals somberheid en verlegenheid worden tegenwoordig veel te snel tot psychiatrische stoornis gepromoveerd (depressie, sociale angst), schrijft Christopher Lane in Shyness. How Normal Behavior Became a Sickness, en daar heeft de farmaceutische industrie dan wel weer een pilletje tegen. Doordat die pilletjes er zijn, worden steeds meer mensen met de bijpassende stoornis gediagnosticeerd, schrijft Lisa Appignanesi in Mad, Bad and Sad: A History of Women and the Mind Doctors from 1800 to the Present. Psychoanalyticus Darian Leader begint zijn essay The New Black: Mourning, Melancholia and Depression met de droeve observatie van een jonge vrouw dat haar prozactabletjes allemaal zo eenzaam, geïsoleerd in hun doordrukstrip zitten, in plaats van gezellig los bij elkaar in een potje. Een duidelijke metafoor voor het doorgeschoten individualisme, vindt Leader.

Eric G. Wilson, wiens boek Verslaafd aan geluk in het Engels Against Happiness heet, is zelfs bang dat antidepressiva de westerse wereld tot ‘een maatschappij van zelfgenoegzame zombies’ zullen maken, ‘die zorgeloos, met een glimlach op het gezicht gebakken, door de gangpaden van de supermarkt wandelen’. Wilson is bang dat ‘de melancholie verdwijnt’, terwijl die ons toch zoveel prachtige literatuur en andere kunst heeft opgeleverd.

Om maar met dat laatste te beginnen: dat zal wel loslopen. Ten eerste blijkt uit erg veel onderzoek dat mensen creatiever zijn als ze niet somber zijn. Echt depressieve mensen doen niet zoveel – dat is een symptoom van deze ziekte. Er is wel veel kunst die gáát over melancholie, maar dat is meer een romantische vorm van bezweren, een poging het gevaar onschadelijk te maken. Wilsons tweede denkfout is het idee dat mensen ooit volledig en voor altijd gelukkig kunnen zijn, dat dat een bereikbare toestand is, alsof je het hoogste level hebt bereikt in een computerspel. De werkelijkheid is dat mensen altijd wel weer iets nieuws vinden om zich ongelukkig of angstig over te voelen.

Het beste bewijs daarvoor is wel Wilsons boek zelf: als mensen zelfs kunnen zeuren over een teveel aan positieve en een gebrek aan negatieve gevoelens, kunnen ze overal over zeuren. Zelf geeft Wilson ook toe dat hij van alles geprobeerd heeft om gelukkig te worden, van yoga tot Latijn leren, en dat het hem niet is gelukt. Kennelijk is hij daarom maar een boek tegen geluk en vóór melancholie gaan schrijven; staat hij in elk geval aan de winnende kant. Verslaafd

Vervolg op pagina 2

De nieuwe zielvorsers keren zich tegen het geluk

Vervolg van pagina 1

aan geluk bevat overigens aardige anekdotes over sombere mensen, van Adam en Eva tot John Lennon, maar Wilsons moralisme is moeilijk verteerbaar, ook omdat zijn uitgangspunten niet kloppen.

Hetzelfde geldt voor Leaders The New Black. Leader vertelt prachtige verhalen – daar zijn psychoanalytici van oudsher sterk in. Zo heeft hij het uitvoerig over de noodzaak dat de doden tweemaal sterven (eenmaal fysiek en eenmaal symbolisch), wat ook vaak in romans en films voorkomt. En over (in de psychoanalytische literatuur gebruikelijke) wonderbaarlijke genezingen. Neem de vrouw die depressief werd toen haar lange-afstandsrelatie eindelijk bij haar introk. Bleek dat ze geen afscheid had kunnen nemen van haar vader, toen die jaren geleden overleed. En nu ook de situatie van regelmatig afscheid nemen die ze in het heden voor zichzelf had gecreëerd, stopte, kon ze het allemaal niet meer aan. Maar toen ze dit in psychoanalyse inzag, genas ze direct.

Mooie verhalen zijn het – voor in een Franse film. Maar Leaders boek pleit vóór langdurige psychoanalyse om dit soort wonderen op te wekken en de depressieven te genezen, en tégen gedragstherapie en pillen (die zouden slechts ‘oppervlakkig’ werken, zegt hij). Dat gaat lijnrecht in tegen de huidige wetenschap. De meeste depressieven hebben nu eenmaal niet zo’n heldere, romantische symboliek aan hun ziekte ten grondslag liggen. En de meeste depressieven kunnen ook hun somberte niet kwijt in kunst, Leaders andere oplossing, omdat ze nu eenmaal te weinig moed hebben om überhaupt iets te doen.

Het belangrijkste probleem met deze boeken is dat ze de pretentie van objectiviteit hebben, terwijl er zo duidelijk een geloof aan ten grondslag ligt, een romantisch ideaalbeeld van hoe de wereld eruit zou moeten zien – én het idee dat sommige mensen dat met opzet tegen zitten te werken en het zo verpesten voor de rest. Wat dit betreft krijgen vooral de farmaceutische industrie en de psychiatrie de schuld. Lisa Appignanesi wil in Mad, Bad and Sad het liefst concluderen dat vrouwen vandaag de dag even slecht af zijn als in de 19de eeuw, toen ze automatisch als gek werden beschouwd wanneer ze ofwel ongesteld waren, ofwel zwanger, zogend of net niet meer zogend (dat was in die tijd dus vrijwel voortdurend). En Christopher Lane (Shyness) meent dat de gemiddelde pillenfabrikant de hele wereld ziek of gek wenst. Het heeft een averechts effect, zulk verongelijkt moralisme. Je denkt meteen: zo erg als zij zeggen dat het is zal het zéker niet zijn.

Er lagen trouwens ook nog twee mooie, leesbare boeken op de depressie- en geluksstapel. Het eerste is De depressie-epidemie van Trudy Dehue. Deze Groningse hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie heeft onderzocht hoe het kan dat depressie juist in welvarende landen steeds meer lijkt voor te komen. Kan de ziekte onder die omstandigheden pas goed worden herkend? Is het toch gewoon de schuld van de farmaceutische industrie? Of maakt de verzorgingsstaat mensen nu eenmaal kleinzerig? En, zeker niet de onbelangrijkste vraag, is het eigenlijk wel waar dat er steeds meer depressie is?

Volgens Dehue is die laatste vraag niet eens goed te beantwoorden, omdat mensen in de loop van de geschiedenis steeds anders hebben gedacht over stemmingsstoornissen als depressie. Onderzoek naar de vraag of depressie toeneemt, is als schieten op een bewegend doel, constateert Dehue tegen het eind van haar boek. Dan hebben we al veel lezenswaardigs achter de rug: onder meer een betere geschiedenis van stemmingsstoornissen en antidepressiva dan die van Appignanesi (beknopter, maar minder droog), alsmede betere beschrijvingen van de rol van de farmaceutische industrie, de wetenschap en de media dan die van Lane. Dehue is hooguit onduidelijk in haar kritiek op het wetenschappelijke experiment als onderzoeksmethode, en wat kort door de bocht waar ze stelt dat kranten in hun berichtgeving over depressie vaak wat kort door de bocht zijn, maar verder is het een erg mooi boek.

In haar conclusie wordt wel weer duidelijk wélk geloof aan de meeste van de nieuwe generatie depressie- en geluksboeken ten grondslag ligt: het geloof dat het individualisme te ver is doorgeschoten. Dehue heeft gelukkig niet die moralistische toon van haar collega’s, maar stelt wel expliciet vast dat de huidige maatschappij het niet tolereert als haar leden somber in een hoekje blijven hangen – daarom moeten we allemaal uit onze depressies komen en gelukkig zijn, en dáárom worden er zoveel depressies geconstateerd.

In haar epiloog pleit ze ook voor ‘een socialere samenleving’. Dat klinkt heel sympathiek; een socialere samenleving, wie wil dat nou niet? Net als het kapitalisme staat het individualisme tegenwoordig in een nogal verdacht licht. Maar in meer individualistische landen blijken mensen wel gemiddeld gelukkiger te zijn. En gelukkige mensen zijn socialer en beter voor de maatschappij. Aandacht voor geluk is letterlijk een investering in menselijk kapitaal. Ja, zo geformuleerd klinkt het meteen minder aangenaam, maar er zijn echt weinig nadelen aan geluk. Gelukkige mensen zijn vriendelijker, energieker, coöperatiever, vrijgeviger, flexibeler, slimmer, rijker en gezonder dan minder gelukkige mensen. En mocht dat allemaal irritant klinken: ze worden ook aardiger gevonden door andere mensen, ze hebben meer vrienden en hun relaties zijn beter.

Die laatste lijstjes komen uit het laatste boek van de stapel: The How of Happiness, van de Californische psycholoog Sonja Lyubomirsky. Haar boek is er eigenlijk één van de vorige generatie geluksboeken, die nog pleitten vóór het nastreven van geluk. Ze komt er nu pas mee omdat ze eerst jarenlang heeft onderzocht welke methoden om mensen langdurig gelukkiger te maken nu echt werken. Dat verschilt per persoon, en Lyubomirsky heeft voor elk wat wils: van aardig zijn voor anderen tot leren meer op te gaan in je werk, allemaal heel praktisch en concreet uitgelegd. Ja, er staan ook veel dingen in dit boek die voor de hand liggend en suf klinken, of die iedereen wel weet. Alleen weet je ze niet meer op momenten dat je je somber voelt, want dan zitten ze in een onbereikbaar vakje in je hoofd.

Gelukkig zijn is niet gemakkelijk, zegt Lyubomirsky ook. Wie aanleg heeft voor somberheid moet zijn geluk bewaken zoals iemand die snel dik wordt zijn gewicht moet bewaken. Dat dat moeite kost is vast een troost voor iedereen die bang is dat de melancholie verdwijnt. Maar met dit boek kunnen mensen wel zo dichtbij zichzelf- op-hun-gelukkigst komen als mogelijk. Het is puur individualistisch gelukskapitalisme, en het is erg goed voor de ziel.

‘Why capitalism is good for the soul’: www.cis.org.au/ POLICY/summer%2007- 08/saunders_summer07.html