‘Ga eens naar een boer’

Het deelraadslid in Amsterdam Oud-Zuid, voormalig provo en schrijver Roel van Duijn legde in het jaar 1968 de basis voor een manifest over de Kabouterstaat.

Een jonge Roel van Duijn. Foto J. Mud provo kabouters zestiger jaren Mud, J.

In het voorjaar van 1968 dachten wij, provo’s, koortsachtig na. Over hoe het verder moest met de revolutionaire veranderingen die wij wilden. De directe democratie. De redding van het milieu. Uit de hele wereld kregen wij bezoek van opstandige studenten die van ons wilden leren hoe je met succes een revolte kunt ontketenen. Wij bleven de gestencilde Oproep aan het internationale provotariaat verspreiden, tot diep in Oost-Europa. Maar ik was ontevreden, want het verhoopte, spontane vervolg van onze ludieke, vernieuwende beweging bleef uit. Ik lag te piekeren op bed en werd ziek. „Provo is dood”, rouwde ik.

Waar was provo gebleven? Was het verstandig geweest die uitvinding op te heffen? Hoe nu verder met de revolutie? Mijn vriendin zat in tranen aan de rand van ons bed. Had ik kanker, zoals mijn vader? De dokter probeerde aspirine en penicilline, maar na een paar maanden concludeerde hij dat ik niks mankeerde. Ga wat heel anders doen, Van Duijn, zei hij. „Ga eens op een boerderij werken.” Verbaasd zette ik me op trillende benen. Het was mei.

Ik was een jongen van de asfaltjungle en het biologisch-dynamisch volkorenbrood van ‘Looverendale’ was het enige agrarische wat me te binnen schoot. Het bleek van een bedrijf op Walcheren. De boer vond het goed dat ik als vrijwilliger in de leer kwam; op voorwaarde dat ik mijn baard afschoor. Het handwerk deed mij goed en ik leerde van hem hoe je gewassen zonder kunstmest en vergif kunt verbouwen. Ik hing aan zijn lippen. Ook toen hij, opkijkend vanuit de Provinciale Zeeuwse Courant, zich verwonderde over de kracht van de opstand in Parijs. Dat zal Europa democratischer maken, zei ik. „Maar wat denken zij over de natuur?” vroeg hij.

Op een avond liepen hij en ik de akkers na op onkruid. In een naburig veld raasde een loofklapper in de aardappels. Ik vroeg hem, of wij ook zo’n gevaarte in de piepers zouden krijgen. „Nee”, antwoordde hij, met zijn kin afstekend tegen het avondrood, „luidruchtige machines verjagen de kabouters en die hebben wij juist nodig voor de gezondheid van onze planten.”

Ik had het gevonden! Ik gaf de boer een hand en vertrok. In de trein schreef ik een concept voor een manifest over de noodzaak van een Kabouterstaat. De mens moest cultuurkabouter worden. Als cultuurkabouter zou de nieuwe mens het evenwicht met de natuur herstellen. Eindelijk had ik nu ook de titel gevonden voor mijn boek over de anarchistische prins Kropotkin: De boodschap van een wijze kabouter.