Elke nacht zijn vlag geplant

Wereldberoemd in Spanje, in Nederland vrijwel onbekend. Joaquín Sabina is de zanger van de Madrileense zelfkant, waar ‘elke nacht een huwelijksnacht’ is. Aan het randje van de dood ‘stond ik net op tijd op de rem’, vertelt hij in de nieuwe film van Ramon Gieling.

In het huis van zanger-componist Joaquín Sabina (59) werd het leven in extremis gevierd. De Spaanse cantautor, verzamelde in de jaren tachtig en negentig een bonte stoet nachtvogels thuis om zich heen. Musici, dichters, bekende intellectuelen, onbekende drinkbroeders, hoeren en hoerenlopers paradeerden er permanent over de vloer. Half Madrid had een sleutel van zijn woning. Zelfs als de zanger op tournee was, of in de kroeg om de hoek zijn songteksten op bierviltjes krabbelt, zat het huis vol. Het leven raasde met het succes als een gek voort. Meestal in ‘de nacht die geen dag ziet’.

‘De nacht die ik liefheb, is troebel als jouw ogen/ lang als de stilte, bitter als de zee/ De nacht die ik liefheb, groeit tussen het afval onder de bogen/ der mislukking, op het vuil van de stad deint ze mee.’ (Tekst uit Noche Negra / Zwarte Nacht)

Joaquín Sabina is wereldberoemd in Spanje en wordt geadoreerd in Latijns-Amerika. De dichter-zanger krijgt door werk en leven de status van een cultfiguur en popidool. ‘De Baudelaire met Madrileense gitaar’, zoals een vriend, de dichter Luis García Montero, hem noemt, verkoopt sportpaleizen en stierenvechterarena’s in één klap uit. In de landen van het Spaanse taalgebied wordt alles wat hij zegt of zingt, gewogen en geciteerd.

Sabina is de intellectueel die de volksader wil raken en weet te raken. De ‘Dunne uit Úbeda’, zoals hij wordt genoemd, wou altijd schrijver worden: „Van avant-gardistische romans die niemand zou lezen. Maar het leven heeft me tot zanger gemaakt en daar dank ik het voor. Het is veel spannender je poëzie het publiek in te schreeuwen.” Die poëzie is rauw, teder, bij vlagen sentimenteel, en paart in de woorden van schrijfster Almudena Grandes, een groot bewonderaar van zijn werk, literaire gevoeligheid aan volkse platvloersheid: ‘Onze liefde duurde/ de sparteling van twee ijsvissen op een whisky on the rocks.’

De roem kwam laat in zijn leven.

Het woord ‘gilipollas’ (eikel, lul), gezongen tijdens een televisieoptreden midden jaren tachtig, doet het werk. Het regende klachten en de concertaanbiedingen stroomden vervolgens binnen.

De toon is gezet: vrolijk tegendraads, vlerkerig. ‘Iconoclastische spotgeesten’, ‘de hippies zijn volwassen geworden’, schrijven de kranten. Het is de tijd van la ‘Movida Madrileña’, een muzikaal, cultureel, sociaal avontuur. Sabina was teruggekeerd uit Londen, waar hij zeven jaar in ballingschap verbleef, omdat hij onder Franco een Molotovcocktail tijdens een studentenopstand had gegooid. Madrid barstte uit zijn voegen. De ex-student letteren wérd de Movida Madrileña. „Maar niet die van de elitaire minderheidsbeweging van de homo’s met gekleurd haar die de Andy Warhol Factory wilden imiteren, maar van de enorme uitbarsting van vrijheid op de straat.” Aldus de zanger in de biografie die Javier Menéndez Flores over hem schreef.

Madrid, is ‘de stad zonder eigenschappen’, volgens schrijver Javier Marías. Maar ze wordt Sabina’s muze, die hij met even onstuimige liefde als haat bezingt: ‘De zon is een butagaskachel,/ het leven, een metro op punt van vertrek,/ een naald in een openbaar toilet,/ misschien heb ik het wel over Madrid.’

De stad op de ongenaakbare Castilliaanse hoogvlakte kent geen nationaliteit. Madrid was de Onnoembare, maar Sabina geeft haar betekenis, plant er zijn vlag. Hij is een van de eersten die poëzie van Madrid maakte, zegt hij zelf. De stad, ‘waar meisjes geen prinsessen meer willen zijn en de jongens de zee in een glas gin zoeken’, wordt vast onderdeel van zijn poëtisch territorium.

Sabina is ook de troubadour van de liefde. De vrouwen die zijn universum bevolken, zijn vrouwen ‘die zware koffers vol regen meeslepen, die dansen in gouden kerkers’, vrouwen ‘met handen en voeten gebonden aan de vergetelheid’.

De laatste strofe van ‘Hay Mujeres’ toont hoe Sabina te werk gaat: ‘Er zijn vrouwen gehuld in huiden waar geen lichaam onder zit, er zijn vrouwen wier heupen nooit de zon zien, er zijn vrouwen die naar de liefde gaan zoals naar hun werk... En dan opeens de stoplap: Er zijn vrouwen die me helemaal gek kunnen maken.

Erop aangesproken, zal hij meteen terugkaatsen met: ‘geef het publiek nooit wat ze verwacht’, of ‘ik hou van slechte poëzie’. Dat is Sabina de straatdichter.

Ook ‘las magdalenas’, de hoeren

die hij openlijk bekent te bezoeken, krijgen een plek in Sabina’s poëtica. Zo bezingt hij zacht Maria Magdalena: ‘De meeste Vrouw van alle hoeren/ de meeste Hoer van alle vrouwen/ met dat hart van vijf sterren/ zelfs de zoon van een God/ ging met haar mee, toen hij haar zag/ en ze rekende hem niets.’ In het katholieke Spanje is het geloof nog altijd een dankbaar onderwerp voor een provocatie.

Sabina is ook de links geëngageerde intellectueel, ‘rood’, zoals hij zichzelf noemt, die in Cuba vijf uur lang met Fidel Castro praat, maar daarna roept dat hij „weg met Castro” zou schreeuwen, als de wereld was zoals hij zou willen. Hij zou „Castro met z’n rotdictatuur” naar de Filistijnen schelden „als zijn buren niet Bush zouden heten”, zegt Sabina in genoemde biografie.

Maar hij is vooral ook de melancholicus met een groot verlangen naar ontroostbaarheid, die roept: ‘Zeg, dokter,/ geef me mijn depressie terug,/ ziet u niet dat m’n vrienden me de rug toekeren?/ Onverdraaglijk vinden ze/ die idiote grijns op m’n gezicht.’

Zwaarmoedigheid en zwartgalligheid, meent Sabina, ‘is de grond waar het lied in goede gezondheid kan groeien.’ In de vrolijke toon hoor je dat het hem menens is.

Ook in Calle Melancolía een van zijn eerste composities wordt de zwaarte door een kwinkslag en rijm opgeheven:

‘Ik woon op de Melancholieweg nummer zeven, alweer een tijd./ Ik wil zo graag verhuizen naar de wijk van Vrolijkheid,/ Maar altijd als ik op de tram wil springen, zie ik hoe ie net wegrijdt.’

De zanger maakt er geen geheim van dat hij alles snikt, snuift en drinkt wat hem voor handen komt. De Franse filosoof Bataille schreef: „Ervaring noem ik een reis naar het einde van het menselijk mogelijke. Niemand hoeft deze reis te maken, maar als je het doet, veronderstelt dat een ontkenning van de autoriteiten, de bestaande waarden die het mogelijke begrenzen.” Het lijkt alsof Sabina die woorden letterlijk heeft genomen.

In 2001 wordt hij getroffen door een licht herseninfarct, als gevolg van zijn hevige cokegebruik. De zanger herstelt snel maar zakt weg in een depressie, zijn ‘zwarte wolk’. Hij sluit zich op met zijn boeken. Het slot op de deuren wordt veranderd. Niemand van de oude kliek komt er meer in. Vier jaar staat zijn gitaar onaangeroerd naast zijn bed.

De sleutel is een belangrijke metafoor in de film die regisseur Ramon Gieling maakte – de eerste serieuze documentaire over het fenomeen Sabina. In Spanje waagde niemand er zich nog aan.

Als symbool voor de omslag

in Sabina’s leven liet Gieling een replica nabouwen van Sabina’s huis en interviewde daar de oude vrienden met de oude sleutels, die tot hun spijt geen toegang meer hebben tot zijn nieuwe leven.

Zelfs zijn spleen – min of meer te boven – wordt mediageniek uitgespeeld. „Niets bijzonders”, verklaart hij voor de camera, „een depressie zoals ook verveelde vrouwen in de menopauze in Winsconsin ze hebben.” Hij hijst zich eruit met behulp van zijn vrienden: dichters, die hem toeroepen ‘dat hij het recht niet had zijn publiek zichzelf zo lang te onthouden.’

Sabina vertelt hoe zijn musici wanhopig op zoek gingen naar snippers poëzie in zijn prullenbak in de hoop een lied te vinden. Want de Marichalazo had een voordeel, hij had weer tijd om te schrijven.

Gieling filmt in Las Ventas, de beroemde stierenvechtersarena van Madrid, de herrezen ster. De camera gaat door een sleutelgatvormige poort de arena in. De keuze is niet voor niets. Sabina is een fervent liefhebber van de Tauromaquía, de kunst van het stierenvechten. Sabina de stierenvechter, die in de arena het leven uitdaagt. Zolang het optreden duurt, krijgt het leven de allerhoogste zin. In het hier en nu. Zolang het lied duurt is de betekenis absoluut.

Poëzie is zijn wapen tegen de zinloosheid van het bestaan, om de dood van zich af te slaan. In ieder geval overleeft hij zijn depressie ermee. „De eerste impuls om een lied te componeren”, vertelde Sabina in een televisie-interview, „is dat de werkelijkheid zo teleurstellend is dat je een tegengif, een vervanging moet zoeken.”

In die zin is Sabina ook erfgenaam

van de barokdichter Quevedo (1580-1645) die met scherts en venijn de absurde en ondraaglijke menselijke conditie wist te pareren van ‘door geboren te worden sterven wij’.

Onder Sabina’s gedichten stroomt een bijna religieus verlangen naar eeuwigheid. Maar het is óók de viering van het leven. Het leven willen pakken. Het stil willen zetten, op het moment van uitbarsting:

‘Dat het hart niet uit de mode raakt,/ dat de herfst je huid goud kleurt, /dat iedere nacht een huwelijksnacht is,/ en dat de wittebroodsweken nooit komen./ Dat iedere nacht een huwelijksnacht is,/ en dat alle weken van wittebrood zijn.’ (Uit: Noche de Bodas, Huwelijksnacht.)

In het repetitieve, dat veel van zijn liedteksten kenmerkt, lijkt een bezwerend element te zitten. Poëzie als overlevingskunst, als schuilplaats in een wereld zonder god. Het refrein van A mis Cuarenta y Diez – Op m’n Veertig en Tiende laat er geen twijfel over bestaan: ‘Geen haast, van het Requiem/ was ik nooit fan/ de planken wambuis die ik zal dragen is nog niet eens geplant/ die priester die ik voor het heilig Oliesel zal vragen/is nog niet eens koorknaap,/ en om dit lied te verkopen is het zaak/ te zoeken naar een fijn refrein.’

Ook hier in de staart humor als ‘vitale bliksemafleider’, zoals zijn goede vriend en fan, de Peruaanse schrijver Bryce Echenique, het verwoordt. Het is de grap en grol waarmee Sancho Panza zijn heer Don Quijote aftroeft.

„Dood aan de dood”, roept Sabina zijn biograaf op de laatste pagina toe. „Ze is lelijk, ze stinkt. Hoe ik voortleef, interesseert me geen lor. Als zij er is, ben ik er niet meer. Waarom moet ik haar accepteren?”

De zanger wil geen interview geven. Hij laat weten niet in perfecte vorm te zijn. De verhuizing van de Melancholieweg naar de Wijk van Vrolijkheid lijkt nog niet op handen.

De documentaire ‘19 Días en 500 Noches’ van Ramon Gieling komt later deze maand in de bioscoop..