Doe ons dan maar melancholie

Het succes van antidepressiva zou leiden tot ‘een maatschappij van zelfgenoegzame zombies’.

Waar komt dit verzet tegen geluk vandaan?

Kapitalisme is goed voor de ziel. Dat schreef de Australische sociaal wetenschapper Peter Saunders in ‘Why capitalism is good for the soul’. Kapitalisme, schrijft hij, heeft ervoor gezorgd dat mensen gemiddeld langer, gezonder, rijker en gelukkiger leven. Toch heeft het kapitalisme, in tegenstelling tot socialisme en communisme, nooit veel romantische aantrekkingskracht gehad. Jaar in, jaar uit kreeg Saunders van zijn studenten aan de universiteit te horen dat ‘de mensen te materialistisch waren geworden’, dat ze betere en hogere dingen moesten gaan nastreven dan bezit, dat de ‘kapitalistische machine’ gestopt moest worden. Maar als Saunders dan vroeg op welk moment in de geschiedenis die machine het best uitgezet had kunnen worden, antwoordden ze altijd: ‘Nu!’ Zelf wilden ze hun iPods, comfortabele huizen, hoge onderwijsniveau en grote hoeveelheid vrije tijd niet missen, maar toekomstige generaties moesten het maar doen zonder de voordelen waarmee het kapitalisme nog zou gaan komen. ‘Ik vroeg me altijd af’, zegt Saunders, ‘wat ze ervan zouden vinden als hun ouders en grootouders er ook zo over hadden gedacht en als ze de economische groei twintig of vijftig of honderd jaar geleden zouden hebben stopgezet.’

Ik moest aan dit verhaal denken bij het bekijken van een stapeltje nieuwe boeken over depressie en geluk. Op het terrein van de psyche is namelijk iets vergelijkbaars aan de hand. We hebben het goed, in het rijke Westen, maar nooit eerder zijn we zo overspoeld met geluksboeken en antidepressie-cursussen. En nu komt er een tegenreactie op gang. Allerlei mensen vinden ineens dat de geluksindustrie te ver gaat: we moeten ophouden met minder somber en nóg gelukkiger willen worden. En wanneer dan? Nu.

Er is een heel nieuwe generatie depressie- en geluksauteurs die zich tegen de geluksindustrie keert – en niet eens met het argument dat het voortdurend najagen van geluk ongelukkig maakt. Nee, een van de belangrijkste redenen is het succes van antidepressiva, met name het commerciële succes (want er is nogal wat discussie over de vraag of die pillen ook echt werken). Alledaagse gevoelens zoals somberheid en verlegenheid worden tegenwoordig veel te snel tot psychiatrische stoornis gepromoveerd, schrijft Christopher Lane in Shyness en daar heeft de farmaceutische industrie dan wel weer een pilletje tegen. Doordat die pilletjes er zijn, worden steeds meer mensen met de bijpassende stoornis gediagnosticeerd, schrijft Lisa Appignanesi in Mad, Bad and Sad. : A History of Women and the Mind Doctors from 1800 to the Present.

Eric G. Wilson, wiens boek Verslaafd aan geluk in het Engels Against Happiness heet, is zelfs bang dat antidepressiva de westerse wereld tot ‘een maatschappij van zelfgenoegzame zombies’ zullen maken en dat ‘de melancholie verdwijnt’, terwijl die ons veel prachtige kunst heeft opgeleverd.

Om maar met dat laatste te beginnen: dat zal wel loslopen. Ten eerste blijkt uit erg veel onderzoek dat mensen creatiever zijn als ze niet somber zijn. Echt depressieve mensen doen niet zoveel – dat is een symptoom van deze ziekte. Er is wel veel kunst die gáát over melancholie, maar dat is meer een romantische vorm van bezweren.

Wilsons tweede denkfout is het idee dat mensen ooit volledig en voor altijd gelukkig kunnen zijn, dat dat een bereikbare toestand is, alsof je het hoogste level hebt bereikt in een computerspel. De werkelijkheid is dat mensen altijd wel weer iets nieuws vinden om zich ongelukkig of angstig over te voelen.

Het beste bewijs daarvoor is wel Wilsons boek zelf: als mensen zelfs kunnen zeuren over een teveel aan positieve en een gebrek aan negatieve gevoelens, kunnen ze overal over zeuren. Wilson geeft toe dat ook hij van alles geprobeerd heeft om gelukkig te worden, van yoga tot Latijn leren, en dat het hem niet is gelukt. Kennelijk is hij daarom maar een boek tegen geluk en vóór melancholie gaan schrijven; hoort hij in elk geval bij de winnaars. Wilsons moralisme is moeilijk verteerbaar, ook omdat zijn uitgangspunten niet kloppen.

Hetzelfde geldt voor Leaders The New Black. Leader vertelt prachtige verhalen. Zo heeft hij het uitvoerig over de noodzaak om de doden tweemaal te laten sterven (eenmaal fysiek en eenmaal symbolisch), wat ook vaak in romans en films voorkomt. En over wonderbaarlijke genezingen. Neem de vrouw die depressief werd toen haar lange-afstandsrelatie eindelijk bij haar introk. Bleek dat ze indertijd geen afscheid had kunnen nemen van haar vader , toen die jaren geleden overleed. En nu ook de situatie van regelmatig afscheid nemen die ze in het heden voor zichzelf had gecreëerd, stopte, kon ze het allemaal niet meer aan. Maar toen ze dit in psychoanalyse inzag, genas ze direct.

Mooie verhalen zijn het – voor in een Franse film. Maar Leader pleit in zijn boek vóór langdurige psychoanalyse om dit soort wonderen te doen en de depressieven te genezen, en tégen gedragstherapie en pillen. Dat gaat lijnrecht in tegen de huidige wetenschap. De meeste depressieven hebben nu eenmaal niet een heldere, romantische symboliek aan hun ziekte ten grondslag liggen. En de meeste depressieven kunnen ook hun somberte niet kwijt in kunst – Leaders andere oplossing – omdat ze nu eenmaal te weinig moed hebben om überhaupt iets te doen.

Het belangrijkste probleem van deze boeken is dat ze de pretentie van objectiviteit hebben, terwijl er zo duidelijk een geloof aan ten grondslag ligt, een romantisch ideaalbeeld van hoe de wereld eruit zou moeten zien – én het idee dat sommige mensen dat met opzet tegen zitten te werken en het zo verpesten voor de rest. Wat dit betreft krijgen vooral de farmaceutische industrie en de psychiatrie de schuld. Het heeft een averechts effect, zulk verongelijkt moralisme. Je denkt meteen: zo erg als zij zeggen dat het is zal het zéker niet zijn.

Mooi en leesbaar daarentegen is De depressie-epidemie van Trudy Dehue, die zich de vraag stelde hoe het kan dat depressie juist in welvarende landen steeds meer lijkt voor te komen. En, is het eigenlijk wel waar dat er steeds meer depressie is?

Volgens Dehue is die laatste vraag niet eens goed te beantwoorden, omdat mensen in de loop van de geschiedenis steeds anders hebben gedacht over stemmingsstoornissen als depressie. In Dehue’s conclusie wordt duidelijk wélk geloof aan de meeste van de nieuwe generatie depressie- en geluksboeken ten grondslag ligt: het geloof dat het individualisme te ver is doorgeschoten. Dehue heeft gelukkig niet die moralistische toon van haar collega’s, maar stelt wel expliciet vast dat de huidige maatschappij het niet tolereert als haar leden somber in een hoekje blijven hangen.

In haar epiloog pleit ze ook voor ‘een socialere samenleving’. Dat klinkt heel sympathiek; een socialere samenleving, wie wil dat nou niet? Net als het kapitalisme staat het individualisme tegenwoordig in nogal kwaad daglicht. Maar in meer individualistische landen blijken mensen wel gemiddeld gelukkiger te zijn. En gelukkige mensen zijn socialer en beter voor de maatschappij. Aandacht voor geluk is letterlijk een investering in menselijk kapitaal. Ja, zo geformuleerd klinkt het meteen minder aangenaam, maar er zijn echt weinig nadelen aan geluk.

Why capitalism is good for the soul: kijk op nrcnext.nl/links

Trudi Dehue: De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen. Augustus, 335 blz. € 17,90. (Verschijnt eind mei.)

Christopher Lane: Shyness. How Normal Behavior Became a Sickness. Yale University Press, 263 blz. € 24,–

Darian Leader: The New Black. Mourning, Melancholia and Depression. Hamish Hamilton, 223 blz. € 32

Eric G. Wilson: Verslaafd aan geluk. Contact, 175 blz. € 17,95.