De vrouw blijft een lenig en rank vraagteken

Nieuw in CS: de wekelijkse brievenwisseling tussen de schrijvers Gerrit Komrij en Hafid Bouazza.

Waarde Gerrit,

Enige tijd geleden besloot ik, met het oog op afslanking van mijn bibliotheek, enkele dozen boeken te verkopen aan een antiquariaat. Het waren bij elkaar vijf of zes dozen en ik vroeg vriend Joris om mij te helpen met het vervoer. Zoals je weet, kan ik niet rijden en Joris is zowel in het bezit van een rijbewijs als van een vehikel.

Op zich niets interessants, ware het niet dat Joris een schrijver is en ik weet niet wat het is, maar een schrijver die auto kan rijden – het blijft mij verbazen. Deze combinatie hinkelt voor mij. Weet jij waarom, als niet-rijder?

Wat mij wel altijd bekoort, zijn vrouwen achter het stuur (en ja, ik weet wat men hierover zegt); ik vind dit bijzonder sexy. Vooral de beweging van een vrouw die, in één vloeiende beweging, de auto instapt, waarbij ze tegelijkertijd haar tas van haar schouder op de passagiersbank laat glijden en al zittende het portier dichtslaat en de motor start: het lijkt alsof een vraagteken vloeiend in de auto verdwijnt. (Het voorafgaande gegraai naar de sleutels in de tas verhoogt de zinnelijke sensatie – vrouwen en sleutels, dat is trouwens een verhaal apart, misschien iets voor later.) Deze sensuele beweging ontroert mij altijd diep, maakt mij weemoedig, een sprokkeltwijgje kraakt in mijn hart, omdat het op zulke momenten tot mij doordringt dat ik vrouwen nooit zal begrijpen en dat het onmogelijk is om een vrouw, op een metafysisch, filosofisch, laat staan mentaal en fysiek niveau, te bezitten, te behouden, met haar tot een osmose te komen: inderdaad, een lenig en rank vraagteken.

Maar goed. We reden naar de boekhandel die interesse had getoond en die gevestigd is in een straat waar ik ooit een lief had wonen (in Amsterdam laat Mnemosyne mij nooit met rust); de woning van deze ooggroene, lokrode lief had een deur met een defecte bel, zodat ik met kiezelsteentjes tegen haar raam moest gooien om haar mijn aanwezigheid bekend te maken (Cupido’s minipijltjes tegen haar venster ) en het viel mij op hoe moeilijk het is om in Amsterdam kiezels te vinden – genoeg figuurlijke kiezels in de schoen, natuurlijk, maar stoffelijke kiezels, ho maar.

De boekhandelaars, man en vrouw, bekeken het aanbod en stelden een goed bedrag voor. Ik ging akkoord en de vrouw vroeg ons op haar te wachten, terwijl zij naar de giromaat fietste om het geld op te halen. Tijdens het wachten zag ik een exemplaar van Karel van de Woestijne liggen – ik weet, niet een van jouw favorieten, met dat verdomde ‘rinse’ van hem, hetgeen zuur betekent, naar de smaak van de ‘Rijnsche’ wijn – en ik begon eruit voor te lezen, terwijl vriend en boekman luisterden. Zou ik het boek toch niet behouden? Nee, Hafid, je hebt al het complete werk van de dichter en nog andere edities ervan.

Maar daar was de vrouw al met het geld.

Verlicht en vol tegelijk ging ik weg, met die paradoxale sensatie van in een Nederlandse speelfilm te acteren zonder uit de kleren te moeten.

Liefs, Hafid