De vlam van kennis, inzicht en gehannes

Dirk van Weelden: De wereld van 609. Augustus, 112 blz. € 12,50

Ik had er nooit zo bij stilgestaan, maar Dirk van Weelden opende er met een paar treffende passages mijn ogen voor: de onvergankelijkheid van het weer. In De wereld van 609, een in opdracht geschreven beschouwing over de verschillende bewoners van een 17de-eeuws huis aan de Amsterdamse Herengracht, merkt hij op dat het weer al ‘een slordige vier miljard jaar’ onophoudelijk in beweging is. ‘Over de hele wereld gaan al duizenden jaren schepen naar de kelder als het stormt. Oogsten verregenen. Kuddes verdorsten. Veldtochten lopen vast in regen, modder en sneeuw. Keizers en bedelaars [...] krijgen stof, wind, regen en hagel om hun oren.’

Het is typisch iets voor Van Weelden om aan zoiets veranderlijks en vluchtigs als het weer eeuwigheidswaarde toe te kennen. Zoals hij – andere tegenstelling – in de beschrijving van dat ene huis aan de Herengracht de wereldgeschiedenis laat resoneren. In kort bestek passeert van alles de revue: de napoleontische tijd, de Amerikaanse Revolutie, de slavernij, de Bataafse Republiek, de koloniale politiek en de inpoldering van Nederland, maar ook zoiets als de kunst van het prepareren. Een van de voormalige huurders van Herengracht 609 was Coenraad Temminck, oprichter van het Leids Natuurhistorisch Museum. Van zijn verre reizen nam hij diverse vogels mee, die hij thuis prepareerde. ‘Het ontvlezen van de aanhechtingen van de vleugels is een enorm tijdrovend karwei’, schrijft Van Weelden op achteloze insiderstoon, alsof hijzelf ook menig vogeltje heeft geplukt en opgezet, ‘vooral als je niet de hoofdpennen wilt losmaken van de vleugel.’

Hij schreef deze beschouwing op verzoek van het Stimuleringsfonds van de Nederlandse Culturele Omroepproducties, dat zich dit jaar vestigde in het pand. Van 1670 tot 1931 werd het huis bewoond door particulieren, daarna werd het gebruikt door bedrijven en instellingen. Zestig jaar lang was het Italiaanse consulaat er gevestigd: een voor ons oninteressante periode omdat Van Weelden er bij gebrek aan mondelinge of geschreven bronnen geen sappige anekdotes of bijzondere feiten over weet te vermelden.

Het zijn vooral de oudere bewoners van wie we het moeten hebben. Neem de 18de-eeuwse patriciër Gerrit Hooft: een welvarend koopman met bezittingen in Suriname, maar ook jarenlang burgemeester van Amsterdam. Opmerkelijk is dat de door Van Weelden geportretteerde bewoners, zoals Marie van Beeftingh, Nicolaas van Staphorst en Jan Willem Rutgers van Rozenburg, behalve rijk en succesvol ook maatschappelijk bevlogen waren. Ze lieten kanalen graven, land inpolderen, ze stichtten musea, ze drongen aan op het instellen van een grondwet en ijverden voor mensenrechten, zelfbeschikking, onderwijs en volksgezondheid.

De charme van De wereld van 609 zit in de geanimeerde spreektoon, maar vooral in de ietwat losbandige compositie: een mix van grote lijn en sappig detail, wereldpolitiek en individuele lotgevallen, beschouwing en verhaal, gelegenheidswerk en persoonlijke toets.

Zoals het in Van Weeldens romans draaide om begrippen als looptijd of tegenwoordigheid van geest, zo wordt nu het woord ‘vlam’ geïntroduceerd. Er moet een vlam worden doorgegeven van ouder op kind: de vlam van kennis, inzicht en levensovertuiging. Halverwege het boek verzucht Van Weelden dat er geen heilige waarheden bestaan en dat alles wat de mensen zich tijdens hun leven getroosten mogelijk geen enkele zin heeft. Maar hij haast zich om daaraan toe te voegen dat het hem te doen is om het ‘gehannes met die vlam’. De leraar in hem wil iets duidelijk maken aan het nageslacht: dat wij ons kunnen warmen aan het vuur van onze voorgangers. Een troostrijke gedachte: voorouders heb je immers altijd, net als het weer.