De vader van het feminisme

John Stuart Mill was niet de afstandelijke filosoof waarvoor men hem doorgaans verslijt, maar een levendige geest en een pleitbezorger van excentriciteit.

Richard Reeves: John Stuart Mill. Victorian Firebrand. Atlantic Books. 616 blz. € 51,75

Het bekendste boek van John Stuart Mill (1806-1873), het enige boek dat ‘iedereen’ van hem kent, is On Liberty uit 1859. Het wordt nog vaak te hulp geroepen, bijvoorbeeld als de vrijheid van meningsuiting moet worden verdedigd tegen religieuze pogingen haar aan banden te leggen. ‘Vergrijpen tegen de goden zijn de zaak van de goden’, vond Mill (met dank aan Tacitus) en gelovigen voelen zich nu eenmaal altijd beledigd wanneer ze met hun mond vol tanden staan tegenover gerechtvaardigde kritiek. Geen enkele reden dus om hun bezwaren tegen de vrijheid te honoreren met verbod of beperking.

Hoewel de discussie weer even plotseling is verstomd als zij was ontstaan, moet ik nog wel eens aan Mill denken naar aanleiding van de film van Geert Wilders. Wilders had zich op Mill kunnen beroepen, maar hetzelfde geldt voor zijn tegenstanders. Want het is niet zo dat Mill geen enkele inbreuk op de vrijheid accepteerde: zodra er schade voor anderen dreigt, mag de vrijheid wel degelijk worden beperkt. In het geval van Wilders blijft natuurlijk de vraag of er van reële schade sprake was – of dat men zich door eigen waan en angst heeft laten meeslepen. Godzijdank hoeven we ons daar nu niet meer druk over te maken.

Wie alleen On Liberty leest (of liever: alleen de paar telkens geciteerde uitspraken eruit), zou misschien kunnen denken dat Mill een liberaal was met wie je alle kanten uit kunt. In dat geval raad ik aan de nieuwe biografie John Stuart Mill. Vicorian Firebrand van Richard Reeves te lezen. Niet alleen omdat dat een groot genoegen is, maar ook omdat hij zo goed laat zien wat Mills verdediging van de vrijheid precies te betekenen had. En omdat hij zo’n aantrekkelijk, ja benijdenswaardig portret van Mill schetst.

Dode baby

Voor Reeves is Mill allereerst een geëngageerd intellectueel – het tegendeel van de gortdroge, humorloze, afstandelijke filosoof waarvoor men hem zo vaak heeft gehouden. Niet toevallig begint Reeves zijn verhaal met de 17-jarige Mill die op straat een dode baby vindt en vervolgens in de achterbuurten een pamflet verspreidt met daarin nuttige wenken over anticonceptie – het kwam hem op een paar dagen gevangenisstraf te staan wegens zedenbederf. Mill was geen dorre studeerkamergeleerde, maar een gepassioneerde man van de daad (zelfs een ‘stokebrand’ als we de ondertitel mogen geloven) die de wereld wilde verbeteren.

Zo was hij ook opgevoed door zijn vader James Mill en diens geestelijke leidsman Jeremy Bentham. De jonge John moest de nieuwe apostel van hun utilitarisme worden, en daartoe had zijn vader een ambitieus programma opgesteld, uitgaande van de gedachte dat de mens bij geboorte een onbeschreven blad is dat naar believen kan worden gevuld. Dat heeft de zoon geweten. Al op zijn derde werden hem de eerste beginselen van het Grieks bijgebracht. Vóór zijn achtste las hij – in de oorspronkelijke taal – Sophokles, Aesopus, Herodotus, Xenophon, Lucianus, Diogenes Laërtius en Plato. Daarna volgden, tot zijn twaalfde, de Euclidische meetkunde, Latijn en algebra. Toen hij twaalf was, moest hij zelf leren denken, op basis van Aristoteles, en een jaar later kreeg hij een complete leergang economie voor zijn kiezen.

Met veertien jaar was alles achter de rug. Deze opvoeding, lezen we in Mills autobiografie, bezorgde hem een voorsprong van ‘een kwart eeuw’ op zijn leeftijdsgenoten, maar op zijn twintigste bezorgde zij hem ook een zenuwcrisis. Tot dan had hij zich loyaal aan de verspreiding van Benthams boodschap gewijd, nu besefte hij opeens dat realisatie van de utilitaristische idealen hemzelf geen spat gelukkiger zou maken. De remedie voor de crisis vond hij in de poëzie, die van Wordsworth vooral. Mill ontdekte de wereld van het gevoel, de blinde vlek van zowel Bentham als zijn vader. Opgelucht schrijft hij, als betrof het een serieuze ontdekking: ‘Ik was geen stok of steen’.

Poëzie en gevoel veranderen zijn opvatting van het utilitarisme. Het verlichte rationalisme van zijn jeugd wordt aangevuld met een romantische gevoelscultuur, die in 1830 eindelijk haar object vindt, wanneer hij Harriet Taylor leert kennen. Helaas is ze al getrouwd, maar dat blijkt een merkwaardig soort ménage à trois niet in de weg te staan. Pas twintig jaar later, na de dood van haar man, wordt Harriet zijn vrouw; al veel eerder is zij zijn intellectuele compagnon geworden. On Liberty, gepubliceerd kort na haar dood in 1858, zou hem door haar zijn ingefluisterd.

Dat is waarschijnlijk overdreven, maar van de ideeën van Bentham was inderdaad niet veel meer over. In diens filosofie speelde de vrijheid nauwelijks een rol (het ging om ‘het grootste geluk van het grootste aantal’), maar ook de betekenis die Mill aan de vrijheid toekent wijst in een heel andere richting. Die vrijheid was namelijk geen doel op zichzelf, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een geslaagd leven. En dat was een leven als autonoom individu. Mill geloofde dat de mens zichzelf kon scheppen of herscheppen, zoals hij dat zelf had gedaan nadat de beperkingen van zijn opvoeding tot hem waren doorgedrongen. Hoe? Door zowel zijn denken als zijn gevoel te cultiveren. Bildung werd dat genoemd door de Duitse romantici, met wier werk Mill had kennisgemaakt via Coleridge en Carlyle.

Eenheidsworst

Vrijheid was nodig voor de groei van het individuele karakter. Ook de samenleving zou daar wel bij varen, want in de moderne tijd was het grootste gevaar niet de despotie van de staat, maar de ‘tirannie’ van de gewoonte, van de publieke opinie en van de meerderheid. De vloek van het conformisme bedreigde iedereen. Tegen de eenheidsworst van de massamaatschappij was Mill zelfs bereid een hartstochtelijk pleidooi voor de ‘excentriciteit’ te houden. In het 19de-eeuwse Engeland misschien overbodig (volgens de historicus Macaulay riep Mill ‘brand!’ tijdens de Zondvloed), maar het suggereert wel wat hem voor ogen stond: een samenleving vol originele karakters die elkaar door hun variëteit en tegenspraak uitdagen om het onderste uit de kan te halen.

Dat het niet alleen mannelijke karakters hoefden te zijn, werd pas in 1869 ten volle duidelijk, toen The Subjection of Women verscheen – de feministische appendix bij On Liberty, wederom geïnspireerd door zijn geliefde Harriet, zij het nu vooral door de herinnering aan haar. ‘Het Britse feminisme kent vele moeders’, schrijft Reeves, ‘maar slechts één vader’. Al tijdens zijn drie jaar in het Lagerhuis (1865-1868) had Mill voorgesteld om de vrouwen kiesrecht te geven. Zonder resultaat, behalve dan dat hij erom belachelijk werd gemaakt. Zo sterk was de ‘tirannie’ van de gewoonte, die alleen al het idee van de gelijkheid der seksen idioot vond. Net als trouwens de gelijkheid tussen blanken en negers of een rechtvaardige behandeling van de hongerende Ieren – om slechts twee andere zaken te noemen waarvoor Mill zich als parlementslid sterk maakte.

Veel van Mills opvattingen zijn tegenwoordig gemeengoed, en hebben onwillekeurig aan glans verloren. Ze zijn zelf een vorm van conformisme geworden, iets waaraan vooral lippendienst wordt bewezen, ook zonder authentieke overtuiging. Dat is misschien onvermijdelijk. Hoe Mill de spanning en de geestelijke groei erin had willen houden, als iedereen het met hem eens zou zijn, vermeldt de historie niet. Maar ook hier kan de biografie uitkomst bieden, doordat zij laat zien dat wat nu normaal oogt ooit excentriek is geweest en moed en kracht heeft gevergd.

Of daarmee Mills ideeën hun oorspronkelijke kleur terugkrijgen, durf ik niet te beweren. Maar wel wordt zo het gepassioneerde non-conformisme uitgelicht, waarmee Mill ze ooit heeft verdedigd. Daar heeft elke tijd behoefte aan, ook de onze.