De mooie handen van Maria

Vier zalen vol pracht en rijkdom in het Bonnefantenmuseum tonen dat de kunstverzamelaar van vroeger niet meer de-zelfde is als die van nu.

Het was ergens tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog dat de Italiaanse kunsthandelaar Angiolini in Amsterdam op de stoep stond bij Otto Lanz, met een spuuglelijk schilderij in zijn handen. Lanz was een geëmigreerde, rijke Zwitserse arts en een fanatiek kunstverzamelaar. Angiolini haalde een nijptang tevoorschijn en voor Lanz’ ogen scheurde hij het canvas aan stukken. Daaronder kwam de Muze met Luit van Tintoretto tevoorschijn, een prachtig doek van rond 1580, dat hij uit Italië had gesmokkeld.

Lanz was meteen verliefd en kocht de Muze. Het is nu een van de topstukken van de tentoonstelling Palazzo in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum. Hier worden Italiaanse kunstwerken getoond die ooit zijn aangekocht door privéverzamelaars en nu behoren tot de collecties van het Rijks- en het Bonnefantenmuseum. Decennia waren ze van elkaar gescheiden, maar wegens de verbouwing van het Rijksmuseum in Amsterdam zijn ze nu weer samen, voor zolang de verbouwing duurt.

Palazzo omvat vier bomvolle zalen die pracht en rijkdom uitstralen. Italiaanse kunst was in het interbellum in Nederland een ware hype – vandaar de (vergeefse) exportverboden van een geschrokken Italiaanse regering. Nederlanders kochten honderden keramische reliëfs, schilderijen, kleine bronsjes – lieflijke, intieme kunst die geschikt was voor de huiskamer. Bij die huiselijkheid hoorden meubels en in het Bonnefanten staan talloze ‘cassoni’ en ‘sgabelli’, waarbij Italiaanse meubelmakers elkaar hebben overtroefd in fijne krullen en details. En niet alleen tijdens de Renaissance. Behoorlijk wat meubels bleken later vals te zijn.

De mooiste zaal is die met de madonna’s. Donatello beeldhouwde Maria die Christus knuffelt. Haar mooie handen omvatten de babybilletjes en hun aureolen versmelten in de omhelzing. Een intiem werk, veel warmer dan het elegante, eveneens prachtige reliëf van Andrea del Verrocchio dat ernaast hangt. Daarop zijn Maria en haar staande kindje met zijn volwassen lijfje beiden een toonbeeld van gratie. Op andere werken is te zien waarom ze haar kind zo goed bij zich moet houden. Terwijl de kleine Jezus met Johannes speelt, houdt de heilige Antonius een herdersstaf met kruis vast – een dreigend voorteken van zijn latere dood.

Zonder voormalige privécollecties zouden musea nu geen nieuwbouw nodig hebben. Deze rijke particulieren waren mecenassen die de kunstwereld steunden. Verzamelaars staken elkaar aan, musea zochten hen op, kunsthandel Goudstikker opende een Italiaanse afdeling en eigentijdse kunstenaars profiteerden van dit bloeiend cultureel klimaat. Zelfs het portret dat Jan Toorop tekende van Lanz’ ‘doorgroefde berggidsengelaat’, zoals een tijdgenoot hem typeerde, ziet er in Palazzo ineens opvallend Italiaans uit.

Wandelen door Palazzo

zal mening museumdirecteur weemoedig stemmen. Dat die tijden hebben bestaan, dat je zulke verzamelingen bijeen kon hobbyen. Oude kunst is nu duur en schaars. Bij de hedendaagse kunst is het aanbod groter. Maar ook daar hebben musea het moeilijk. Tot juni is in het Stedelijk Museum Amsterdam een tentoonstelling met nieuwe aankopen te zien. Hans den Hartog Jager beschreef in deze krant dat het Stedelijk werk heeft aangekocht van allerlei aanstormende talenten, in de hoop dat er een ster tussen blijkt te zitten. Dat is een wereld van verschil met de vorige eeuw. Toen waren het de musea die bepaalden wie de sterren werden. En nu wachten ze af. Musea zouden zich dan ook moeten afvragen of kunst kopen op deze manier nog zin heeft.

De grootste verandering ten opzichte van een eeuw geleden is dat de meeste verzamelaars niet meer in Europa wonen. Ze zitten in de VS, Rusland, Singapore of Dubai. Ze zijn rijk geworden op de beurs, met hedge funds en ze beleggen hun geld vaak in hedendaagse kunst. Oude kunst is ‘op’, er is weinig handelscircuit omheen, hedendaagse kunst is spannend en je kunt kunstenaars uitnodigen op je jacht. En als je uitgekeken bent op je Koons of Hirst, verkoop je hem na een half jaar met vette winst. Zodoende drijven deze hedge fund handelaren de prijzen op tot 19 miljoen dollar voor een Hirst, 71 miljoen voor een Warhol, 143 miljoen voor een De Kooning. In deze wereld hebben musea niets te zoeken.

De Singaporese intellectueel Kishore Mahbubani, auteur van Can Asians Think?, trekt al jaren van leer tegen het Europese onvermogen om in te zien dat andere werelddelen de touwtjes in handen hebben. Hij doelt daarbij op financiën, kennis, economie. Maar het geldt ook voor de kunst. Een artikel van Calvin Tomkins in de The New Yorker van november 2007 schetst een beeld van de internationale kunstmarkt waar steenrijke, jonge beleggers kapitalen spenderen aan de nieuwste kunst en zo de sterren creëren. ‘More fun than the Dow Jones.’ Eén Zweedse investeerder loopt in dit wereldje rond – als enige Europeaan is hij bijna een curiosum. Want, zoals de directeur van het British Museum volgens Tomkins heeft gezegd: „Voor het eerst in tweehonderd jaar beslist de Westerse wereld niet meer over onze toekomst.”

De verzamelaars in Palazzo werden gedreven door een nostalgie naar vervlogen, pre-industriële tijden. Europa beleefde turbulente jaren en oude kunst verzamelen paste bij een verlangen om de moderne tijd buiten te sluiten. De tentoonstellingstitel Palazzo verwijst naar het ideaal dat rijke Nederlandse verzamelaars nastreefden met hun vol gehangen huizen.

Nu is de lifestyle juist snel, met reisjes, openingen, champagne, speculaties en experimentele kunst. Hollywoodsterren kopen guerrillakunst van Banksy, beleggers Brit Art van Damien Hirst en Tracey Emin. „De kunstwereld was een gemeenschap, maar is nu een industrie”, zei belegger Jeffrey Deitch tegen Tomkins. Deitch koopt kunst, runt galeries, organiseert festivals en concerten. Het is moeilijk je niet te laten shockeren op zijn extravagante dinnerparties waar in speciale stellages naakte bedienden in pumps en netkousen van grote hoogte in hoeden urineren. Otto Lanz gebruikte een eeuw eerder een Siënees wapenschild als eettafel, waardoor de gasten in zijn overdadig gedecoreerde huis de benen schuin moesten houden als ze kwamen eten. Dat is toch wat minder aanstootgevend.

Natuurlijk is deze financiële

gekte niet echt nieuw – kunstprijzen stijgen al decennia, zeker sinds eind vorige eeuw Japanners flink in kunst gingen beleggen. Maar de hype die kunst nu in de wereld van de hedge funds is geworden, is van een andere orde. Zelfs werk van hedendaagse kunstenaars kost miljoenen, meer dan de jaarlijkse aankoopbudgetten van Nederlandse musea. Ze worden overzees gekocht, door particulieren die snel beslissen op basis van een foto. Dat alleen al is voor een Europese museumconservator ondenkbaar.

Maar Europa heeft iets wat in andere werelddelen schaarser is: musea vol kunstschatten. Gezien de ontwikkelingen lijkt het slimmer dat musea zich concentreren op de schatten die er zijn, op conserveren en presenteren, en particuliere investeerders zoeken, hoe moeilijk ook in dit werelddeel. Musea voor moderne kunst moeten eigen sterren opleiden, prijzen uitloven en opdrachten geven, en zo weer enige greep krijgen op de kunstgeschiedenis.

Palazzo is een prachtige tentoonstelling vol schatten die anders weinig te zien zijn. Een tentoonstelling die behalve over verzamelen ook andere verhalen vertelt. Zo laat een zaaltje met portretten edellieden uit de zestiende eeuw zien die zich onvoorstelbaar breed kleedden om weelderig en zwaarlijvig te lijken. Een bronzen Venetiaanse deurknop in de vorm van een zeemeermin toont hoe elk detail van een huishouden uitbundig werd vormgegeven. En een wapenschild van de familie Martelli, met een woest klauwende, gifgele griffioen, bewijst dat kunst ook mocht intimideren. Hier moeten musea in investeren, in het maken van dit soort tentoonstellingen. Koesteren wat we hebben, conserveren, presenteren, en de ratrace van de internationale kunstmarkt overlaten aan oliesjeiks en hedge fund handelaren.

‘Palazzo, het verzamelen van vroeg-Italiaanse kunst in Nederland (1900-1940)’, Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, Maastricht. Di-zo 11-17u. Inl. www.bonnefanten.nl