De meisjes moesten zich als mannen voordoen

John Mullan: Anonymity. A Secret History of English Literature. Faber, 256 blz. € 32,–

John Mullan: Anonymity. A Secret History of English Literature. Faber, 256 blz. € 32,–

Van een boek over het anonimaat en pseudonimaat in de Engelse literatuurgeschiedenis verwacht je grappige onthullingen. Waarom grappig? Om het kiekeboe-effect: auteurs die zich verborgen houden achter schuilnamen of naamloosheid zoals kinderen achter stoelen. Vervolgens om het contrast met onze tijd waarin schrijvers aangekondigd, afgebeeld en ondervraagd worden op weg naar een celebrity-status. En wie John Mullans werk toch ernstig wil opvatten wordt daar al vanaf gebracht door de stofomslag met 30 denkbeeldige en half zichtbare auteursportretten, terwijl ook zijn eigen gezicht half zichtbaar is.

Bij het lezen valt de grappigheid niet mee. Er is te weinig verrassing. Iedereen die zich een beetje voor de Engelse literatuur interesseert weet wel dat de voornaamste 18de-eeuwers, Pope en Swift en Defoe, hun namen achterhielden als zij iets bijzonder satirisch of agressiefs of schandaligs publiceerden. Zij hielden hun schrijverschap niet verborgen; ook van anonieme teksten werd vroeger of later wel opgehelderd wie erachter zat.

Er komt weinig over hen aan het licht waar wij nu nog verbaasd van opkijken. Hetzelfde geldt voor de meest voorkomende 19de-eeuwse gevallen van anonimaat, zoals dat van Jane Austen, wier naam nooit op haar titelpagina’s heeft gestaan. Zij was anoniem begonnen, zoals veel vrouwelijke auteurs, uit verlegenheid, burgerlijke keurigheid of vrees voor kritiek. En toen zij haar laatste boeken schreef en iedereen best wist dat zij het was, bleef het zo. De gezusters Brontë pasten een andere formule toe voor camouflage: zij noemden zich Currer en Ellis en Acton Bell – drie auteurs wier voornamen niet hun geslacht onthulden.

Wel zouden buitenstaanders menen te begrijpen dat George Eliot een man was en nooit gedacht hebben dat die eigenlijk Mary Anne Evans heette. Ook deze misvatting duurde niet levenslang behalve voor de uiterste buitenstaanders: heel wat lezers waren op den duur wel eens op een van haar voorname theemiddagen geweest, en vele anderen hadden ervan gehoord. Zij had haar schuilnaam aangenomen na een paar anonieme publicaties, en hij beviel haar goed: ‘a nom de plume secures all the advantages without the disagreement of a reputation.’

De last van een reputatie had Walter Scott eerder in de eeuw van zich afgewenteld door zijn romans, te beginnen met Waverley, anoniem te publiceren. Hij was al beroemd als dichter, dus hij wist van reputaties, en hij bewaarde daarna zijn geheim totdat hij in geldnood kwam en zijn naam moest gebruiken om het vertrouwen van geldschieters te winnen.

Zo is er toch een aantal voorbeelden in Mullans boek waar het grappig is om van te horen of aan herinnerd te worden. Het enige hoofdstuk waar sommigen van ons zich nog enigszins bij betrokken kunnen voelen is dat over een principiële kwestie: de anonimiteit-of-niet van boekbesprekingen. Het lijkt nu al heel lang geleden dat de regel van anoniem recenseren, waar al wel uitzonderingen op gemaakt waren, afgeschaft werd bij de toonaangevende Times Literary Supplement: in 1974. Toch waren er toen mensen, en die zijn er misschien nog steeds (tenminste bij sommige zware wetenschappelijke bladen) die de anonimiteit voor hun eigen en soms ook voor andermans besprekingen verkieslijk vinden. Daar heeft maar een kleine minderheid van de 21ste-eeuwers mee te maken. Stel je voor, zullen de meesten zeggen: met iemands boek de vloer aanvegen en niet bekennen wie je bent! Of: een boek de hemel inprijzen van een auteur van wie je vermoedt dat hij binnenkort je eigen werk wel eens ter bespreking zou kunnen krijgen!

Dan kan de vraag gesteld worden: komt dat doordat wij niet meer zoals onze voorouders kunnen rekenen op elkaars belangeloze onpartijdigheid? Of is het omgekeerd, en vinden wij dat iedereen recht heeft op naamsbekendheid: kijk maar naar al die namen aan het eind van een film – en dan zou een criticus naamloos moeten blijven? Al is deze vraag in onze tijd niet aan de orde, wie er Mullans hoofdstuk over leest, wordt er toch een tijdje door beziggehouden.