‘De laatste strijd van duivelen en demonen’

Wessel te Gussinklo: Palestina als adderkluwen. De Israëlische tragedie. Meulenhoff, 223 blz. € 18,90

In het pamflet Palestina als adderkluwen voorspelt Wessel te Gussinklo de ‘eindstrijd’ tussen de islamitische wereld en het Westen. ‘De werkelijke strijd is in Palestina, daar vindt het echte kampgevecht plaats met strijders namens de twee machtsblokken, daar vindt het gevecht plaats dat veel en wellicht alles bepalend zal zijn.’ Met ‘deze laatste grote strijd’ tussen de krachten van het kwade, van de duivelen en demonen, en de blinkende legers van heiligen en engelen zal dan de tijd gekomen zijn voor het Laatste Oordeel.

Het probleem met dit type voorspellingen is dat zij niet te toetsen zijn, tenzij voorzien van een datum, die ook Te Gussinklo niet weet, maar hij kent in ieder geval de locatie. Om die reden richt hij zijn pamflet tegen ‘de partijdigen, de tendentieuzen, de heimelijken, de verborgen haters, de rationaliseerders van hun emotionele keuzes, de incidenten- en sentimentendenkers, de dwaze lieden die…’ (dit is in de eerste alinea en de lezer snakt al naar adem), kortom tegen de Gretta’s (Duisenberg) of de Van Doorns of de Edward Saïds, die uit sympathie met de Palestijnen het gevaar van de islam bagatelliseren of ontkennen.

Van zijn visioen dat in Palestina de ‘eindstrijd’ tussen de islam en het Westen zal worden uitgevochten, wil Te Gussinklo getuigen door middel van een historisch exposé dat alles omspant van de Europese oertijden tot heden, Vandalen en Goten, de Slavische volksverhuizingen, de Mongoolse Gouden Horde, in Noord-Amerika de indianen (‘Waren het gewoon blanken geweest dan hadden ze, het vergeefse van hun verzet inziend, wat bijgeleerd’), Oost-Indië, de naar het zuiden trekkende Zoeloes onder Dingaan, Noord-Ierland en de Slag aan de Boyne, de Koran, de islamitische verovering van Jeruzalem in 638, de Tweede Wereldoorlog, de Joodse Raad. En neem de grote emigratiegolven uit vorige eeuw naar Amerika, vergeet niet Napoleon in Egypte, denk aan het Suezkanaal én aan het Panamakanaal. ‘Nu kom ik bij Iran en zijn islamitische revolutie.’

De stijl van dit geschrift is, vriendelijk gezegd, nogal opgewonden, maar mag men iemand die als een wanhopige drenkeling in een woeste oceaan van historische feiten kopje onder gaat zijn pathos verwijten? Volgens de auteur is een stortvloed van hijgerige terzijdes functioneel. (‘Hier op deze plaats een stukje algemene wereldbeschouwing’… ‘Maar eerst en op deze plaats een kleine maar noodzakelijke toevoeging’… ‘Hier een terzijde over volksplantingen’… ‘Maar hier toch hoewel enigszins prematuur, een paar woorden over de islam’…et cetera. ‘Allereerst een brede maar noodzakelijke omweg door het Europese landschap’… ‘Hier nog een kort exposé, een terzijde over de grote schurken, de massamoordenaars van de vorige eeuw’… ‘Nu de Arabische wereld’… ‘Hier wil ik u meevoeren naar de moslimwereld’… ‘Nu allereerst een paar woorden over de joden’…)

Het is om als lezer dol van te worden of in een zenuwachtige lachkick te schieten. Extra vermoeiend wordt het incoherente betoog door de barokke opeenstapeling van bijvoeglijke naamwoorden, waarmee Te Gussinklo zijn profetie een emotionele overtuigingskracht meent te moeten geven. Bij gebrek aan enige reflectie of distantie leidt dit tot geraaskal. Het pamflet geeft zo, ongewild, een schrijnend inzicht – niet in het aanstaande einde der tijden, maar wel in de verwarring om niet te zeggen paniek waar de problemen van deze tijd toe kunnen leiden.