De kunst wordt vervolgd, en niet in China

Als zoiets nou in China, of Rusland of Paraguay zou plaatsvinden, zou je zeggen: in die landen moeten ze nog veel leren op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de kunst. Maar het gebeurt dus in Nederland: beeldend kunstenaar veroorlooft zich stekelig commentaar op het optreden van een prominente politicus en wordt daarom strafrechtelijk vervolgd. In hoger beroep zelfs, nadat een lagere rechter het fatsoen had om te zeggen wat iedereen weet: dat een kunstwerk iets anders is dan dreigen met een geweldsmisdrijf.

Deze week staat voor het Hof in Den Haag voor de tweede keer de kunstenaar Jonas Staal terecht. Zijn ‘misdrijf’ bestaat eruit dat hij in 2005 monumentjes heeft opgericht: foto’s en teksten op een boom geprikt, brandend kaarsje, teddybeertje enzovoorts eronder. Er waren ook portretten van de politicus Geert Wilders te zien – onder andere bekend van het feit dat hij zich steeds maar bedreigd voelt. Wilders, kennelijk ongevoelig voor ironie en gespeend van gevoel voor kunstzinnige marges, deed aangifte wegens bedreiging. Sindsdien treft hij het Openbaar Ministerie aan zijn zijde, dat de zaak na vrijspraak van de rechtbank in Rotterdam nu doordrijft bij het gerechtshof.

Het belang van de zaak-Staal is niet zozeer gelegen in de vraag of die monumentjes op straat nu wel of niet een interessant kunstwerk vormden, of een tot nadenken stemmend kunstzinnig commentaar op hedendaagse feiten en omstandigheden. Ik zou overigens zeggen van wél, mede gelet op de interessante verklaringen die Staal daarover in zijn vele toespraken en opstellen te berde brengt. (Zie pagina 4 en 5 van dit Cultureel Supplement). Staal geeft, in de marge van zijn geëxposeerde werk, met regelmaat academisch klinkende verhandelingen ten beste over onderwerpen als ‘het verwerpelijke van ironie’, de rechtsstaat, populisme en de rol van de media daarin, de oorlog in Irak, marteling, het politiek engagement in de kunst en wat niet al. Men hoeft zijn inzichten niet te delen om te erkennen dat hij een opmerkelijke verschijning is en dat hij zich serieus bezighoudt met grote vraagstukken.

Maar om kunst draait de rechtszaak niet, althans in schijn. Die gaat om de vraag of Wilders zich door deze kunst ‘bedreigd’ zou kunnen voelen. En daar begint het ook aardig eng te worden. Want van ‘bedreiging’ is in de verste verte geen sprake – zo’n interpretatie van het kunstwerk is ronduit belachelijk. Dus is het moeilijk om in de aangifte van Wilders, en de verbetenheid van het Openbaar Ministerie, iets anders te zien dan een poging de kunst te muilkorven. Geen grapjes of commentaar meer graag over een politicus die, mede door eigen optreden, nogal wat agressie losmaakt. Zo’n politicus hoort kennelijk sacrosanct te zijn – verheven boven onwelgevallige commentaren.

Dat het Openbaar Ministerie in eerste instantie een uitspraak van de rechter heeft willen uitlokken – daar kun je je nog iets bij voorstellen. Maar een hoger beroep? Wat kan daar eigenlijk anders achter steken dan een poging het vrije woord, kunstzinnig of niet, de das om te doen? Zal het, bij een veroordeling, nog mogelijk zijn om ooit een cabaretnummer aan Wilders te wijden? Of in een krant een ironisch, de politicus onwelgevallig grapje te maken over de manier waarop Wilders of andere politici soms lijken te zwelgen in hun slachtofferrol? Eén ding heeft de zaak-Staal helaas al aangetoond: ook een oude democratie is niet per se gevrijwaard van Chinese toestanden.