De 61ste verjaardag van plan D

Hoe ontstond Israël? Een Israëlische historicus en een Palestijnse Utrechtenaar over het ‘wrede’ verleden en toekomst van de staat Israël. De term etnische zuivering wordt vaak gebruikt.

Ilan Pappé:De etnische zuivering van Palestina. Vertaald door Roelof Posthuma. Omniboek, 347 blz. € 24,90

Arjan El Fassed: Niet iedereen kan stenen gooien. Nieuwland, 216 blz. € 16,90

De eerste bladzijden van de geschiedenis van Israël zijn misschien wel meteen de gevoeligste. De massale verdrijving van de oorspronkelijke Arabische inwoners uit het huidige Israël tussen 1947 en 1949 is ‘omstreden’ , luidt de communis opinio. De Arabieren zijn uit zichzelf vertrokken, of gevlucht voor geweld dat zij zelf begonnen waren, of weggegaan op last van buitenlandse leiders. Bovendien: het was oorlog, en dan gebeuren er dingen waar je later niet trots op bent. Het is dan maar beter er niet over te praten. Zeker niet als het net feest is vanwege het zestigjarig bestaan van de staat Israël.

Dat is ongeveer het niveau van het politieke en maatschappelijke debat over El Nakba – de catastrofe in het Arabisch. Je zou het dan ook niet zeggen, maar onder historici in Israël is juist opmerkelijk veel overeenstemming over de gebeurtenissen van eind jaren veertig.

Voor en tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 zijn honderdduizenden Palestijnen verjaagd door joodse strijdgroepen. Van de tientallen gemeenschappen heeft een fractie deze oorlog tussen Israël en de Arabische buurlanden doorstaan. Zij vormen nu de Israëlisch-Arabische dorpen in, met name, het noorden van Israël. Maar het merendeel is verdwenen: soms vermoord, meestal verjaagd of gevlucht – naar Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Libanon, Jordanië.

Of dit alles érg is, daarover verschillen historici eerder van mening. Sommigen vinden dat de vroege zionisten het recht hadden een groot deel van de oorspronkelijke bevolking te verjagen. Er moest immers, na de Holocaust, een veilige joodse staat gesticht worden. En je moest, om met de schrijver Amos Oz te spreken, maar afwachten ,,of de Arabieren ons zouden sparen en ons in hun goedheid hier aan hun voeten zouden laten wonen”.

Een (losse) groep Israëlische geschiedschrijvers, vaak aangeduid als De Nieuwe Historici, probeert sinds eind jaren tachtig de vaderlandse geschiedenis zo objectief en niet-ideologisch mogelijk te beschrijven. Historici als Avi Shlaim, die werkt in Cambridge, en Benny Morris hebben de gebeurtenissen van de late jaren veertig de afgelopen jaren uitvoerig beschreven. Een Israëliër die het interesseert, kan hun werk in iedere boekhandel vinden. De talloze moorden in steden als Haifa, Lydda, Ramla en Jaffa, de verschillende tactieken om dorpen te omsingelen, de wreedheid van strijdgroepen , de naar schatting 700.000 vluchtelingen. Maar ook de ontkrachting van de officiële versie van de Onafhankelijkheidsoorlog, die stelt dat Israël voor haar bestaan vocht tegen een overmacht aan Arabische strijdkrachten en dat de meeste Palestijnen uit voorzorg voor het oorlogsgeweld zijn gevlucht.

Ilan Pappé is veruit het meest omstreden lid van de Nieuwe Historici. Onvermoeibaar blijft hij zijn land herinneren aan, zoals hij het in zijn laatste boek noemt, de etnische zuivering van Palestina. Zijn boek The Ethnic Cleansing of Palestine, dat nu in het Nederlands vertaald is, moet volgens de auteur gelezen worden als een aanklacht tegen ‘de politici die de etnische zuivering opwierpen en de generaals die haar uitvoerden’.

Een punt van strijd onder de historici is in hoeverre er sprake was van een vooropgezet plan om zo veel Palestijnen te verjagen. Pappé onderbouwt zijn stelling dat er een draaiboek was door onder meer uitvoerig te citeren uit de dagboeken van de eerste minister-president van Israël, David Ben Gurion. Al in 1947, toen het Britse mandaat over toenmalig Palestina begon af te lopen, kwamen Ben Gurion en andere zionistische leiders samen in Tel Aviv om te praten over de toekomstige staat Israël. Op dat moment was het internationale uitgangspunt dat Palestina verdeeld zou worden in een joods deel en een Arabisch deel. De joden gingen akkoord, de Palestijnse leiders niet.

Plan D

De zionisten rondom Ben Gurion zagen een unieke kans, schrijft Pappé, om de oude droom van een exclusief joodse staat nieuw leven in te blazen. Een plan werd bedacht, Plan D, om met geweld een zo groot mogelijk stuk land te veroveren.

Wat Pappé, ook onder historici, omstreden maakt, is dat hij uitgaat van een bewuste strategie van etnische zuivering. Een historicus als Benny Morris wil zo ver niet gaan – die krijgt er dus ook ongenadig van langs in Pappés boek. Maar ook Avi Shlaim betwijfelt of het beruchte Plan D gezien moet worden als een blauwdruk waarmee alle toekomstige gebeurtenissen verklaarbaar zijn. Ilan Pappé wil echter bewijzen dat er wel degelijk sprake was van etnische zuivering. Daarom legt hij verbanden met de Kosovo-oorlog. Zoals de Serviërs in Kosovo werkten, zo werkten de Israëliërs in de Palestijnse dorpen.

Pappé heeft het maar druk met het bewijzen van de term etnische zuivering. Hij somt eindeloos veel wreedheden en incidenten van joodse strijdgroepen op. Daardoor krijgt het boek, paradoxaal genoeg, een heel Israëlisch karakter: je wil zo graag ook eens horen hoe het leven voor de Palestijnen er toen uitzag, hoe oorlog en onderdrukking voelen.

Arjan El Fassed heeft juist wel voor die benadering gekozen. El Fassed heeft een Palestijnse vader en een Nederlandse moeder. In zijn boek Niet iedereen kan stenen gooien onderzoekt de Utrechter de wortels van zijn familie – en daarmee zijn eigen identiteit. El Fassed woonde zelf in de Palestijnse gebieden, maar kwam er opgebrand en gedesillusioneerd uit terug. Het boek geeft een gezicht aan een onthechte Palestijnse familie. El Fasseds oom, Bassam Shaka’a, is er een beroemdheid. Shaka’a was burgemeester van de stad Nablus en een prominente Palestijnse nationalist, wiens familie de sinaasappelgaarden in Israël verloor in 1948.

Corruptie

Het aardige aan El Fasseds boek is dat het, met vaart en ironie, inzicht geeft in de ongelijkwaardigheid waaronder Palestijnse families als die van hemzelf moeten leven. ‘Het ziet eruit als apartheid, het ruikt naar apartheid, het voelt als apartheid, maar op de een of andere manier wil de wereld het niet zien.’ Maar hij spaart de Palestijnen zelf evenmin, die volgens hem door interne twisten en corruptie hun ellende deels aan zichzelf te wijten hebben.

Zijn boek gaat vooral over, zoals hij het noemt, ‘de ontmenselijkin’ van de Palestijnen. Door de grote politieke lading van het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn Palestijnen pionnen in een internationaal diplomatiek spel. En Israël kijkt de andere kant op, zeker nu het een verjaardagsfeestje viert. ‘Door de jaren heen lijkt het of Israël niet geconfronteerd wenst te worden met het bestaan van Palestijnen.’ El Fassed is ontgoocheld teruggekomen uit Israël. Én een joodse staat willen zijn, én een democratie, dat gaat nooit samen. De zestigjarige staat kan volgens hem alleen een toekomst van vrede krijgen als de Palestijnen als volwaardige burgers in genade aanneemt. Zo lang Israël dat niet inziet, rest een toekomst van wederzijds bloedvergieten.