Critici maken de kunst áf

Hoeveel crisissen in de kunstkritiek ik heb meegemaakt, weet ik niet, maar het zijn er veel. Toen ik mijn eerste recensies schreef, was er al één in volle gang. De klacht was dat kunstcritici onleesbare stukken produceerden. Ze werden er van beschuldigd opzettelijk in een soort geheimtaal te schrijven om het domme volk op afstand te houden.

Zo ongeveer om de paar jaar is er een fikse crisis in de kunstkritiek, zowel nationaal als internationaal. Soms roepen critici zelf een crisis uit, soms zijn het anderen die de dood van de kunstkritiek verkondigen. In de jaren negentig meenden critici dat ze van het podium verdrongen waren door een vloedgolf van tentoonstellingsmakers. Dit nieuwe gilde van ‘curatoren’ had de macht naar zich toe getrokken en bepaalde wie de belangrijke kunstenaars waren. Veel critici werden daarop zelf curator of gingen het schrijven combineren met het maken van tentoonstellingen. Een ander voorbeeld: in 2003 toonde De Boekman, het cahier van de Boekman Stichting, door onderzoek aan dat de kunstkritiek min of meer uit de dagbladen was verdwenen. Dit was een gevolg van de beleveniseconomie. Niemand zat nog te wachten op diepgravende uiteenzettingen en lezers wilden, volgens dit onderzoek, alleen oppervlakkige, signalerende stukken in hun krant. Bovendien hadden kunstinstellingen eigen kanalen gecreëerd om het publiek te informeren.

Nu bevinden we ons midden in de crisis van kunstkritiek versus markt en economie. Op hun beurt zijn de tentoonstellingsmakers als opinieleiders vervangen door verzamelaars en galeriehouders. Die hebben geld en dus macht. De critici, die zo weinig verdienen dat ze ternauwernood het hoofd boven water kunnen houden, doen al helemaal niet meer mee. De kunstmarkt duldt geen tegenspraak, en de behoefte aan kritische analyse is verdwenen, aldus de klacht van de critici. Het enige waar teksten over kunst nu nog toe dienen, is promotie en propaganda, branding.

Het nieuwste verschijnsel

in de kritiek is dat critici die bekend staan als serieus, schrijven over kunst die ze niet hebben gezien. Dit valt op te maken uit een betoog van kunstcriticus Jennifer Allen in het april/mei nummer van het Nederlandse kunstblad Metropolis M. Zij beschrijft hoe critici recenseren op basis van afbeeldingen en artikelen in kunsttijdschriften en van berichten op internet. Omdat er zoveel kunst is op zoveel plaatsen in de wereld, is er geen beginnen meer aan om het allemaal te gaan zien. Ook kan de criticus volgens Allen niet langer veronderstellen dat zijn publiek de expositie waarover hij schrijft gaat zien, zoals vroeger het geval was toen criticus en lezers in dezelfde stad woonden. Dus is internet de aangewezen plek voor het debat. Allen maakt het met deze visie op de kunstkritiek wel heel bont. Het kan zijn dat sommige critici schrijven over kunstwerken die ze niet hebben bekeken, maar die kun je moeilijk serieus nemen. En het is onzinnig om deze aanpak nu als onontkoombaar en als dé hedendaagse vorm van kunstkritiek te typeren. De kunst wordt daarmee volkomen virtueel en dat is ze in werkelijkheid niet. Persoonlijk lijkt mij deze ontwikkeling, voorzover die bestaat, wel een crisis in de kunstkritiek waard.

De crisis is dus min of meer permanent. Crisis en kunstkritiek horen bij elkaar. Niet alleen omdat de echte criticus onafhankelijk is, een kritische distantie in acht neemt en daarom vaak schrijft wat men niet graag wil horen. Het is ook omdat de kunst voortdurend in ontwikkeling is en de criticus steeds zijn positie moet herbezien en zichzelf mee moet ontwikkelen.

Waarom is kunstkritiek belangrijk? Het kunstwerk bestaat alleen in de beschouwing, daarin wordt het voltooid. Al kijkend ontdekt de beschouwer betekenissen, in een in principe oneindig spel van interpreteren en herinterpreteren. Het mooiste is wanneer je het kunstwerk zó dicht op de huid zit dat je de overwegingen die geleid hebben tot het ontstaan ervan begrijpt en navoelt en het werk als het ware herschept.

Het kunstwerk kan niet

zonder taal. In het gesprek over kunst komt het tot leven, en het is de criticus die dit gesprek op gang brengt. Vaak is hij de eerste die gedachten over een kunstwerk of een bepaald fenomeen formuleert. Als het nieuwe kunst is, moet hij zoeken naar nieuwe formuleringen. Door dit te doen, geeft hij het kunstwerk een plek in de wereld.

Kritiek is analyseren, onderscheid maken, partijdig zijn. Het is dít kiezen, dát afwijzen, en beargumenteren waarom. Van de criticus mag worden verwacht dat hij slechte kunst neersabelt en een vlammend pleidooi houdt voor kunst die hij belangrijk acht. Kunstkritiek is een vak. De criticus moet goed kunnen kijken, op kunnen schrijven wat hij ziet, wat hij daarvan vindt en waarom. Hij moet de vertaalslag maken van het beeld naar het woord. Daarbij moet hij over een groot inlevingsvermogen bezitten. En dan is er ook nog eens de eeuwige deadline. Kunstkritiek is een vak dat je niet kan leren tijdens een cursus of een opleiding, maar alleen door het te beoefenen.

Onafhankelijke kritiek is nu belangrijker dan ooit. In alle crisissen in de kunstkritiek zit een kern van waarheid. Het is ontegenzeggelijk waar dat de internationale markt tegenwoordig de kunst domineert. Juist daarom is het onafhankelijk oordeel van belang. Het is waar dat musea tegenwoordig erg geïnteresseerd zijn in bezoekersaantallen en meer waarde hechten aan promotiepraatjes dan aan de analyse van een tentoonstelling. Juist daarom is kritiek van belang. Het is waar dat onze minister van cultuur zijn mond vol heeft van ‘excellentie’ en ‘sterke top’ en tegelijkertijd in een openbaar debat op ongegeneerde wijze zijn grote gebrek aan kennis van de kunst etaleert. Juist daarom is een inhoudelijke, analytische benadering van de kunst van belang.

Het is dan ook van harte toe te juichen dat er een prijs voor jonge kunstkritiek in het leven is geroepen. Het drukt waardering uit voor het vak van de criticus en onderstreept de noodzaak van de kunstkritiek voor de kunst.