Blije instellingen wacht nog een fikse korting

Gisteren overhandigde de Raad voor Cultuur zijn subsidieadviezen aan de minister. Die weigerde de vraag om 26 miljoen extra. Wie loopt het risico? De instellingen of het systeem?

Minister Plasterk is geen burgemeester Opstelten. Opstelten wist niet hoe snel hij de grote Rotterdamse instellingen die door het advies van zijn kunstraad subsidie werd ontzegd, gerust moest stellen: er zou zeker geld voor hen zijn. Minister Plasterk week daarentegen geen millimeter en meldde zijn adviesraad: er komt geen extra geld, dus vertel mij maar bij wie ik de 26 miljoen moet weghalen die jullie te veel willen uitgeven.

Zo kón Plasterk ook reageren omdat zijn adviseur, de Raad voor Cultuur, hem niet voor het blok had gezet. De Raad speelde een doorzichtig potje blufpoker. Zonder extra geld „dreigt de invoering van het nieuwe stelsel te mislukken”. Geen onwrikbaar argument.

Door 26 miljoen meer te verdelen dan de 244,5 miljoen die er is, kon de Raad een gul advies samenstellen, waarin velen het gewenste geld kreeg en ingrepen overbodig werden. De reactie van de minister maakte duidelijk dat er onterecht een warm gevoel is gewekt. Anders dan gebruikelijk werkte de Raad niet met een dubbele begroting: wat het budget voorschrijft en wat echt nodig is. Dat leidt ertoe dat alsnog talloze instellingen een klap krijgen. Er moet 10 procent worden teruggevorderd.

Deze handelswijze verklaart wel waarom het advies zo sterk afsteekt af bij de grimmige boodschap die de kunstraden in grote steden deze weken voor hun culturele instellingen hadden.

Door dat argument van de Raad leek het gisteren wel alsof niet de rijkssubsidie in het geding was, maar het „stelsel” – het nieuwe systeem van subsidietoewijzing. Dat nieuwe systeem heeft kracht van wet sinds november vorig jaar. Maar het leeft al jaren. Het werd in 2005 voorgesteld door staatssecretaris Van der Laan, naar een idee van haar voorganger Van der Ploeg in 2001.

Het nieuwe systeem splitst de aanvragers op in drie groepen. De grote instellingen die toch niet ter discussie staan – zoals rijksmusea, symfonieorkesten, het Nationaal Ballet – hoeven niet elke vier jaar subsidie aan te vragen en hebben ‘uitzicht op blijvende subsidie’. De kleinere, experimentele instellingen moeten zich melden bij de diverse cultuurfondsen, die vierjarige subsidies mochten gaan verstrekken. Daartussen zitten de instellingen die zich wel elke vier jaar bij de Raad melden.

Die laatste groep, waarover gister advies uitkwam, vormt met de grote instellingen een culturele ‘basisinfrastructuur’ – waar overigens ook de fondsen zelf en de sectorinstituten bij horen.

Wie in de basisinfrastructuur wil komen, moet een door Plasterk gedefinieerde functie vervullen in de kunstsector. Die beleidsvernieuwing werd gisteren ook voor het eerst in praktijk gebracht. En dat is ook waar de Raad het eigenlijk over heeft: zonder die 26 miljoen zouden die functies niet kunnen worden uitgeoefend. De vier functies zijn het instand houden van voorzieningen, ontwikkeling, internationalisering en ondersteuning.

Bij de podiumkunsten leidde dit er bijvoorbeeld toe dat toneelgroepen en productiehuizen werden afgerekend op formele kenmerken – zoals een zaal bespelen met meer dan 350 stoelen en ‘presentatie op een podium gegarandeerd’. De beoordelingen wekten de indruk dat de functie-eisen die van kwaliteit hadden verdrongen.

Kunstsubsidie verkrijgen lijkt er al met al niet eenvoudiger op geworden. Veertig aanvragers deden verkeerde aanvragen, tientallen werden doorverwezen – voor een tweede kans bij de fondsen. Wel levert het systeem waarschijnlijk minder rechtszaken op, omdat over functie-eisen minder valt te twisten dan over kwaliteitseisen. Om dezelfde reden heeft een lobby door een individuele instelling bij de Tweede Kamer minder zin. De sector kan zich beter groeperen. Dan komt er misschien dat alom gewenste, inhoudelijke politieke debat. Dat zou winst zijn.