Voorzitter, motie nr. hoeveel is dit?

Het aantal spoeddebatten, moties en vragen in de Tweede Kamer blijft maar stijgen.

De coalitie én de oppositie klagen.

Het meireces was nog niet voorbij of het volgende spoeddebat diende zich al aan. Kamerlid Martin Bosma (PVV) wilde staatssecretaris Bussemaker (Volksgezondheid, PvdA) aan de tand voelen over haar voornemen de rol van allochtonen in de Tweede Wereldoorlog nader te belichten. Geschiedvervalsing, meent Bosma, want ze speelden geen rol. Bussemaker moest uitleggen „of ze op de pabo hun kostbare tijd niet beter kunnen besteden”. Ook minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) moest opdraven in vak K. „Om er keihard afstand van te nemen.”

Vanuit de coalitiepartijen en de regering klinkt geregeld gekreun over de vele spoeddebatten die de agenda overwoekeren en bewindslieden van hun werk houden. In 2005 verzocht minister Donner de Kamervoorzitter een bed voor hem in de vergaderzaal te plaatsen, zo vaak werd hij opgetrommeld. En kende 2005 slechts 38 spoeddebatten; had Bosma zijn zin gekregen, dan was dat aantal deze week al gehaald. Dat bleek dinsdag niet het geval: voorlopig neemt de Kamer genoegen met de volgens Bosma „veel te slappe en softe” brief van de staatssecretaris.

Het spoeddebat in zijn huidige vorm stamt uit 2003. In dat post-Fortuynjaar maakte de Tweede Kamer zich druk over saaie, technische debatten die de burger koud lieten. Het moest „effectiever, korter, flitsender, aantrekkelijker en beter”, vond toenmalig Kamervoorzitter Frans Weisglas.

Vijf jaar later klinkt een andere klacht: het Kamerdebat is oppervlakkig en op hypes gericht, de toon is grof. De tendens bestaat om het parlementair debat te restaureren. Geef de Kamervoorzitter de in 2001 verdwenen bevoegdheid terug om ‘onparlementair’ taalgebruik uit de handelingen te schrappen, stelt Kamerlid Johan Remkes (VVD) voor. Stel paal en perk aan spoeddebatten.

Ex-Kamervoorzitter Weisglas zelf vindt het spoeddebat juist een succes. Anno 2008 weerspiegelt het debat meer wat onder het volk leeft – missie volbracht. De kijkcijfers geven hem deels gelijk: vorig jaar volgden ruim twee keer zo veel kijkers de Algemene beschouwingen als in 2002.

Hyperactief gedrag trekt kennelijk kijkers. Want behalve het aantal spoeddebatten steeg ook het aantal moties en Kamervragen vorig jaar explosief. In 1998 klaagde de toenmalige fractieleider Dijkstal (VVD) dat het ‘klassieke instrumentarium’ van de Kamer bot raakte.

Vragen beantwoorden en moties indienen werd lopendebandwerk. Kamerleden wilden eerder zichzelf profileren dan beleid beïnvloeden, aldus Dijkstal: tijd voor een „debat op hoofdlijnen”. Maar het aantal ingediende moties is verdrievoudigd en het aantal vragen verdubbeld ten opzichte van 1998.

Moties en vragen zijn vooral wapens voor de oppositie. Die ziet een ander probleem dan hyperactiviteit. In 1998 wierp Kamerlid Ank Bijleveld-Schouten (CDA, toen oppositie) Dijkstal tegen dat niet profileren en muggenziften het debat onappetijtelijk maakt, maar dichtgetimmerde regeerakkoorden die elk serieus debat uitsluiten. Zo gaat het nu ook: gemopper in de coalitie over de nadruk op hypes wordt gepareerd met oppositionele klachten over het regeerakkoord.

Vicepresident Herman Tjeenk Willink van de Raad van State, die jaarlijks de alarmbel luidt over de teloorgang van de politiek, lijkt dit jaar de kant van de oppositie te kiezen. De Kamer laat zich opjagen door de waan van de dag, aldus Tjeenk Willink, maar gezien het gebrek aan dualisme tussen regering en coalitiepartijen heeft ze ook niets anders om de tanden op stuk te bijten. Over zaken als volkshuisvesting of de Europese integratie kan nog nauwelijks worden gedebatteerd. Te veel staat „buiten haken” of wordt aan de rechter overgelaten.

Vorige week antwoordde het kabinet Tjeenk Willink sussend dat het Kamerdebat onderhevig is aan conjunctuur. In de jaren vijftig en zestig sloeg koehandel tussen leiders van de verzuilde partijen het debat dood, in de jaren zeventig bood polarisatie tussen links en rechts verbaal vuurwerk, in de zakelijke jaren tachtig ervoer men dat weer als zinloze luchtverplaatsing en werd het debat te technocratisch. Nu toont het debat juist „de nodige meningsverschillen en dynamiek”, aldus het kabinet.

Toch maakt de Kamer zich zorgen over zichzelf. Begin vorig jaar diende CDA’er Jan Schinkelshoek een breed gedragen motie in voor een ronde „parlementaire zelfreflectie”. Alleen de PVV stemde tegen. Begin dit jaar kwam die reflectie op gang met lunchgesprekken van de Kamervoorzitter, groepen Kamerleden en politieke veteranen. Daarop volgen gesprekken met deskundigen. Een stuurgroep weegt eventuele aanbevelingen, er wordt nog nagedacht over een internetplatform voor suggesties. Dit alles moet in 2009 uitmonden in een conferentie.

Nogal vrijblijvend, en dat is de bedoeling, aldus Schinkelshoek: „We zijn op hol geslagen. Sinds Pim Fortuyns ‘het gaat nergens over in Den Haag’ is de drang om te bewijzen dat je ertoe doet veel te sterk.” Ook Weisglas erkent de inflatie van moties, vragen en debatten, maar de gewezen Kamervoorzitter denkt dat onzekerheid van Kamerleden de hoofdoorzaak is. „Een veelbelovende jongeling is al na vier jaar een falende backbencher. Dus moet hij wel opvallen en een debat eisen bij de geringste misstand in de oesterteelt.”