Vleermuis

Niemand bekommert zich om Morcego. Niemand geeft om hem. Hij doet heus zijn best. Als je toevallig in zijn buurt verzeild raakt staat hij, nog voor je tot drie kunt tellen, onder je neus. Hij wiekt met zijn rechterarm, waardoor het lijkt of hij een aanloopje neemt alvorens je een hand te geven. Hij kijkt naar je op of hem een onbeschrijflijke eer te beurt valt. Hij krijgt alleen maar flauwe handjes en flauwe blikken terug.

De grijns van Morcego doet afbreuk aan de plechtigheid die hij van elke begroeting probeert te maken. Toch is het die grijns niet en ook niet zijn dwergachtige gestalte die maken dat iedereen zich zo snel mogelijk afwendt. Morcego is niet goed snik en Morcego is vervelend.

Debielen en dorpsgekken zijn alleen hartveroverend in de literatuur. Lees een reisverhaal en onveranderlijk kom je zo’n schilderachtig geval tegen.

Morcego is niet schilderachtig. Hij is een belediging voor het oog.

Zijn pogingen zich zo vriendelijk mogelijk voor te doen – kiekeboe, alweer een hand – zouden als eerste reactie een bijl of een schot hagel verdienen. Iedereen wordt horendol van Morcego.

Van alle dronkaards drinkt hij het meest. Er zou toch iets van mededogen in de mensen moeten ontluiken omwille van Morcego, omdat hij negentien is en nooit nuchter, omdat hij negentien is en zo joviaal, omdat hij negentien is en er uitziet als vijfenveertig, maar nee. In de buurt van Morcego bevriest elk mededogen in de knop.

Wie niet goed snik is vindt altijd nog werk als hulpje in de bouw. Ook Morcego sjouwt met stenen en balken, vult betonmolens en schept ze leeg, reikt spijkers aan en mag doorklimmen naar de hoogste plank van de steigers, waar zich verder niemand waagt. Op een morgen, jaren geleden, miste de lokale aannemer een zak cement. De morgen erop weer een zak. In de derde nacht ging hij op de uitkijk staan. Morcego werd betrapt.

Op die derde morgen kreeg hij zijn definitieve naam. Morcego, de vleermuis, noemde zijn baas hem. De baas stuurde hem niet weg. Dat iedereen hem voortaan vleermuis zou noemen was straf genoeg. Morcego, de nachtbraker.

’t Was in het dorp bekend dat het voor de aannemer ook wat lastig was de dief te ontslaan. De aannemer heeft drie kinderen, twee bij de vrouw met wie hij is getrouwd en eentje buiten de pot. De moeder van zijn onechte kind is de zus van Morcego.

Zo is onze vleermuis op een vage manier toch opgenomen in de gemeenschap. Hij ontleent er zeker zijn brutaliteit aan. Misschien waant hij zich zelfs onschendbaar.

’t Machtigst voelt hij zich als er vuurwerk ontstoken moet worden. Er wordt vuurwerk ontstoken bij elk wissewasje. Feest, communie, herdenking. Morcego is het hulpje van de fogueteiro, de vuurwerkafsteker, die aan elke hand nog vier vingers heeft. Trots stapt hij naast de oude man voort en draagt de vuurpijlen. Ze lijken op een bundel riethalmen, een blonde takkenbos. Straks, aan het eind van de dag, mag Morcego als beloning de laatste twee pijlen eigenhandig afsteken. Het zijn de pijlen met de zwaarste knallen, de apotheose van het feest. Het gevaarlijkste moment.

Gerrit Komrij