Uitkijken naar de eerste dode

Kijken naar geweld in speelfilms is pijnloos en soms zelfs verstrooiend.

Echt eng wordt het wanneer de kijker zich met de dader kan vereenzelvigen.

Zondag 4 mei, om acht uur ’s avonds, Dodenherdenking, zond Film 1 voor zijn abonnees de slashermovie The Hitcher uit, met als hoogtepunt het uiteenrijten van een onschuldige jongen tussen twee vrachtauto’s. Laten we dus verder geen woorden vuil maken aan de vraag in welke mate geweld in speelfilms geaccepteerd is; geweld is volkomen geaccepteerd, in tegenstelling tot porno, dat andere grote taboe dat in de jaren zestig en zeventig geslecht leek te worden.

Geweld is een respectabele vorm van vermaak geworden, voor alle lagen van de bevolking en voor alle leeftijden. Met de dagelijkse portie geweld in bioscoop, op computer of tv kietelen de burgers hun hypothalamus om, in een maatschappij die geweld formeel buiten de orde heeft geplaatst, nog eenmaal de sensatie van angst en onbeteugelde agressie te ervaren. Het komt misschien voort uit een diep verlangen naar ‘echt leven’, zoals de hoofdpersonen van Fight Club koesterden. Zij werden gek van hun kantoorbanen en gingen met elkaar op de vuist om in hemelsnaam maar iets te voelen.

De overheid maakt zich ritueel zorgen om de alomtegenwoordigheid van dit geweld en heeft die zorg geformaliseerd in het logootje van een vuist voor de Kijkwijzer. Daarmee wordt alles bestreken, van het afknippen van een tong in Parks Old Boy tot aan de geësthetiseerde kogelregens in The Matrix. Maar welke van die films brengen de kijker het meest uit zijn evenwicht? Saw III, waar mensen in de zaal flauwvielen? Of Haneke’s Funny Games, waarin de momenten van geweld zorgvuldig buiten beeld worden gehouden, maar de consequenties ervan ondraaglijk lang worden getoond?

In elk geval niet de films van Quentin Tarantino of Robert Rodriguez. Pulp Fiction, Death Proof, Desperado, Sin City – het bloed spat je om de oren. Graphic violence heet dat. Maar het is en blijft poppenkast. Alle geweld speelt zich af in de verre onderwereld. Het deert ons niet. Als een bokser in Pulp Fiction een drugsbaas omverrijdt, de drugsbaas daarna schietend achter hem aan wankelt en daarbij per ongeluk een voorbijgangster overhoop schiet, heeft dat geen beangstigend, maar een komisch effect. Het enige dat ons daaraan kan verontrusten, is dat we erom lachen. Ohhh, dit mag ik niet leuk vinden!

Tarantino’s nouvelle violence heeft tot geleerde beschouwingen en verontwaardigde debatten geleid. Maar dat deden en doen alle films die nieuwe mijlpalen qua geweld hebben bereikt. Arthur Pens Bonny and Clyde uit 1967 en Stanley Kubricks A Clockwork Orange uit 1971, hebben evenveel stof doen opwaaien als later Salò van Pasolini (1975) en Funny Games van Michael Haneke (oorspronkelijke versie 1997, zijn Amerikaanse remake komt later deze maand uit) en Irréversible van Gaspar Noé (2002).

Er zijn een paar belangrijke verschillen tussen deze films en die bepalen hoe hard ze aankomen. Het belangrijkste verschil is niet de kwestie of ze geweld tonen of over geweld gaan. Dat is wat Michael Haneke beweert van zijn eigen films; dat hij er het geweld in beschouwt en er daarom mee tot denken aanzet.

Haneke zegt dat zijn twee (op de taal en acteurs na identieke) versies van Funny Games in de categorie Salò thuishoren. In die film toont Pasolini een groep mensen die aan een reeks sadistische vernederingen wordt onderworpen. De scènes zijn moeilijk aan te zien en de film blijft ze maar opdienen. Haneke zet Salò af tegen films als Natural Born Killers van Oliver Stone of Kubricks A Clockwork Orange. Die films schieten volgens hem hun doel voorbij, doordat ze zijn wat ze aan de kaak willen stellen: entertainment. Het zal vooral de humor van Kubrick zijn waar de ernstige Haneke aanstoot aan neemt. De geweldsexplosies van Alexander De Large in A Clockwork Orange, zoals het aftuigen van een weerloze man op de klanken van Singing in the Rain, zijn gruwelijk maar ook onweerstaanbaar geestig. Ohhh, maar dat mag niet! Dan is het geen stof tot nadenken meer!

Een beslissender verschil is dat van het perspectief. Kijken naar geweld is pijnloos, zorgeloos en kan zelfs verstrooiend zijn zolang het zich afspeelt in een situatie die buiten het dagelijks bestaan van de kijker ligt. Zodra een kijker zich kan verplaatsen in de situatie, wordt het menens. Funny Games, met het gezinnetje dat in zijn brave vakantiehuis wordt overvallen door twee welopgevoede sadisten, is dus enger dan C’est arrivé près de chez vous waarin onschuldige mensen worden gedood door een huurmoordenaar. Zodra je weet dat je met een huurmoordenaar te maken hebt, schakel je als vanzelf door naar het verwachtingspatroon van de thriller en dan kijk je bijna uit naar de eerste dode.

Iedereen lijkt slachtoffer te kunnen worden van griezels als in Funny Games. Maar is dat het ergste wat de mens zich kan voorstellen? Dwingt dat tot de diepste overpeinzingen? En maakt dat het tonen van geweld daarmee legitiem voor een regisseur die zichzelf als kunstenaar beschouwt? Zelfs zo legitiem dat die dezelfde film opnieuw maakt, nu voor een groter publiek?

Over de legitimiteit hoeven we het hier verder niet te hebben, daar is die sticker van de Kijkwijzer voor. Maar wel over de effectiviteit. Want je kunt je afvragen of de hamerslagen van Haneke wel het hardst aankomen. Hij laat zijn middenklassepubliek schrikken door twee sadistische jongens af te sturen op een middenklassegezin. De kijkers zullen zich onontkoombaar identificeren met de slachtoffers. Dat kan kijkers nauwelijks verontrusten in de wereld van na de Tweede Wereldoorlog en dekolonisatie, waarin slachtofferschap een positief onderscheidend kenmerk is geworden. Als we bij Funny Games ohhh zeggen, dan lopen we helemaal in de pas van de moderne westerse moraal.

Het wordt pas ingewikkelder bij gewelddadige films die ons dwingen onszelf met de dader te vereenzelvigen. De westerse mens is het vocabulaire van geweld vrijwel helemaal kwijtgeraakt. De maatschappij heeft het fysieke geweld als communicatiemiddel afgezworen, of op zijn minst getaboeïseerd. Films die dat taboe doorbreken, zijn de griezeligste, of beter, het meest verontrustend. Films waarin brave burgers zich gedwongen zien geweld te gebruiken, onhandig, disproportioneel en wat het verwarrendste is: vaak louterend.

In Straw Dogs wordt een Amerikaanse mathematicus in huis belaagd door een groep gewapende Britse proleten. Hij ziet nog maar één uitweg en doodt ze een voor een. Als hij neerkijkt op zijn laatste slachtoffer, zegt hij: „Jezus. Ik heb ze allemaal.” En dan lacht hij dat lachje dat alleen Dustin Hoffman in huis heeft. Aardig en spottend tegelijk. Terwijl hij vijf mensen heeft vermoord. Ohhh!

Het omgekeerde gebeurt in de remake van Cape Fear door Martin Scorsese (1991). Een griezel bedreigt een advocaat. Op advies van een privédetective huurt die een paar zware jongens in die de griezel met knuppels en kettingen te lijf gaan. De advocaat kijkt vanachter een container toe. Maar de griezel is drie man te sterk af en jaagt hen op de vlucht. Bloedend kijkt hij om zich heen – hier is het de satanische grijns van Robert De Niro die ons angst aanjaagt. Dan stoot de advocaat in zijn schuilhoek iets om. „Raadsman? Ben je daar?” De griezel blijft een griezel, maar heeft eerlijk gewonnen. De advocaat lijkt het meest op ons, maar hij heeft een laffe daad gepleegd. Bij wie horen wij?

Het allersterkste en akeligste voorbeeld is wel Irréversible van Gaspar Noé. Deze film vertelt in omgekeerde volgorde een geschiedenis van liefde, geweld en wraak. We zien een man die naar het ziekenhuis wordt gebracht, een andere man in de gevangenis. Dan zien we (terug in de tijd) hoe de ene man een andere tot pulp slaat. Dan zien we (verder terug) hoe de vrouw van de ene wordt verkracht. Ten slotte zien we de man en de vrouw in een zalige staat van verliefdheid. Zo is het begonnen, en geweld heeft die toestand onomkeerbaar veranderd. Dat, en dat weet Haneke ook getuige zijn films als Le temps du loup en Caché en in veel mindere mate Funny Games, is de grote angst van de bourgeoisie. Eerst dat haar verworvenheden zomaar worden afgepakt. Dan dat ze eeuwen van civilisatie moet afleggen om ze met geweld terug te veroveren. Die paradox is voor de gewone bioscoopbezoeker verontrustender dan welke martelscène ook.

Vanaf 29 mei draait Funny Games in de bioscoop