Over het IJ

Soms vind je iets terwijl je op zoek was naar iets anders. Vaak zijn dat de mooiste vondsten.

Op mijn zoektocht naar interessante-Amsterdamse-plekjes-waar-ik-nooit-geweest-ben kwam ik in Noord, over het IJ, terecht. Daar wachtte mij een buitengewoon aangename verrassing.

Mij was vaak aangeraden naar de IJkantine te gaan, een café-restaurant waarin vroeger de kantine van de NDSM-werf was gevestigd. Die werf is in de jaren tachtig bij gebrek aan opdrachten ter ziele gegaan. Het gebied is via de weg te bereiken, maar per boot is veel leuker: IJveer 54 vanaf het Centraal Station of het veer bij de Oude Houthaven.

Die IJkantine viel niet tegen. Aardige zaak, vriendelijke bediening, tikje trendy publiek, maar van het veelgeroemde uitzicht vanaf het terras op de skyline van Amsterdam had ik me meer voorgesteld. Dat kwam doordat het voor een deel was geblokkeerd door enkele grote boten, waaronder de monsterlijke Botel-boot die tot voor kort het gebied bij het Centraal Station mocht ontsieren.

Bij de IJkantine vonden ze dat ook jammer, maar niet zo héél erg, geloof ik, want de vele buitenlandse hotelgasten van de Botel-boot brachten ook geld in het laatje, en dat was mooi meegenomen in deze stille uithoek van Amsterdam.

Tot zover de IJkantine.

Ik dronk mijn cappuccino en besloot een korte wandeling in de omgeving te maken. Er leek weinig te beleven, maar je wist maar nooit. Vlakbij de IJkantine strekte de NDSM-pier zich in het IJ uit. Daar lag ook mijn geliefde Botel-boot gemeerd, maar als ik even doorliep moest ik eindelijk vrij uitzicht over het IJ kunnen krijgen.

Dat klopte. Ik wilde net dat uitzicht indrinken toen ik een groot, klassiek zeilschip aan mijn linkerhand zag liggen. Het bleek óók een café-restaurant te bevatten, luisterend naar de naam Pollux. Nooit van gehoord. Ik ging aan boord en klom naar het bovenste dek, waar welgeteld vier bezoekers zaten.

Ik koos een tafeltje op de voorplecht, keek in de weidse, hemelsblauwe ruimte om me heen en wist meteen: dit is het. Het uitzicht der uitzichten. Er was water, er was lucht, en er was Amsterdam als een Venetiaans paradijs doezelend in de verte. Kijk, daar lag het Centraal Station, daar zag je de toren van de St. Nicolaaskerk en daar de Rembrandttoren… Nooit had ik de stad mooier in de zon zien blakeren.

Ik begon er bijna van te stotteren toen ik de serveerster aansprak. Ik wees op de vrijwel lege boot. „Waarom…terras IJkantine mudvol…hier niemand…”

Ze zuchtte diep. Soms ging het wel, maar er waren ook vreselijke middagen als deze, begreep ik. Ze bestonden nog maar anderhalf jaar, en er was die moordende concurrentie van de veel bekendere IJkantine.

„Zeg vooral tegen uw vrienden dat wij bestaan”, riep ze me na toen ik opstapte.

„Ik zal mijn best doen”, zei ik, en ik keek nog even om naar het plekje waar ik gezeten had.

Eigenlijk moest je daar de nacht op een veldbedje kunnen doorbrengen. Aan de overkant de lichtjes van Amsterdam, onder je het lispelende IJ en boven je de eeuwigheid van de sterren. Misschien moet ik de Pollux te zijner tijd maar overnemen. En dan elke dag een stukje schrijven waarin ik de lezer oproep toch vooral even langs te komen.