Met voorstellen of met antwoorden komen

Tussen geschiedschrijving en journalistiek is de grens moeilijk af te bakenen. In zekere zin is journalistiek eigentijdse geschiedschrijving, maar zonder gebruikmaking van alle bronnen. Per slot van rekening kan de journalist niet dertig jaar wachten tot alle archieven open zijn. Maar de bronnen waarover hij wél beschikt of die hij heeft aangeboord, moet hij trouw volgen. Net zoals de historicus. Geen van beiden mag zich aan duimzuigerij schuldig maken.

Nog niet zo lang geleden – en misschien nóg wel – werd de historicus die die moeilijk markeerbare grens overschreed, door vakgenoten nogal misprezen. Ja, hij hoefde alleen maar een vlotte pen te hebben of hij werd er al van beschuldigd zich aan journalistiek te bezondigen. Die tijd is nu voorbij. Er zijn nogal wat historici die tegelijk columnist zijn.

Een ervan was H.L. Wesseling, die een jaar of tien een vaste plaats op deze pagina had. Ik betreur zijn afscheid nog altijd. Zijn column bevatte veel wetenswaardigheden, op smakelijke wijze opgedist. Ik stak daar meer van op dan van alle meningen waarmee je vaak in columns wordt doodgegooid. Ik trek liever zelf mijn conclusies uit de mij voorgelegde feiten en analyses.

Nu heeft de historicus Wesseling onlangs een boek geschreven over zijn leven en dat van zijn vader, die journalist was (Zoon en vader – Vader en zoon). Bart Funnekotter besprak het in de Boekenbijlage van 18 april. Een nabeschouwing in dit boek heeft mij in ’t bijzonder aan het denken gezet. Daarin zegt Wesseling namelijk: „...ik beschouw mijn ideeën toch als niet meer dan voorstellen aan de lezer.”

Om verschillende redenen heeft die uitspraak mij getroffen. In de eerste plaats deed zij mij denken aan wat een historicus uit een ander tijdperk, de Belg Henri Pirenne (1862-1935), eens aan zijn tijd- en vakgenoot Huizinga schreef: „L’essentiel est de faire réfléchir” (Waar het op aankomt is de mensen aan het denken zetten).

Zelf heb ik deze uitspraak altijd als een stelregel bij mijn eigen werk gebezigd: niet (zoals ik hierboven al zei) de lezer doodgooien met je meningen, maar hem eerder vragen voorleggen – ook over zaken waarover je zelf nog niet tot een vaste conclusie bent gekomen. Kortom, hem laten nadenken (faire réfléchir). Ik meen dat Wesseling hetzelfde bedoelt met de voorstellen die hij aan de lezer doet.

Maar – en nu beginnen mijn bedenkingen (niet in de zin van tegenwerpingen, maar van overwegingen) – Wesseling is historicus, dus wetenschapsman, en ik ben journalist. Dat wil zeggen dat hij over veel meer wetenschap (dus bronnen) beschikt dan zijn lezer. Hoe kan die lezer, met zoveel minder wetenschap dan hij, over zijn voorstellen oordelen? Als het nu over voorstellen aan zijn vakgenoten ging, zou ik het mij kunnen voorstellen; anders moeilijker. Ik althans heb nooit in Wesselings boeken voorstellen gelezen.

Hetzelfde geldt, bij nader inzien, voor Pirennes uitspraak. Wie wil hij aan het denken zetten: zijn gewone lezers? Maar die lezen hem juist om antwoorden te krijgen. Of bedoelt hij zijn vakgenoten? Ja, met hen kan een discussie vruchtbaar zijn, want zij kunnen geacht worden ook veel te weten over het onderwerp waarover de historicus schrijft. Kortom, zowel Wesselings uitspraak als die van Pirenne geldt meer voor de waarnemer/analyticus van het eigentijdse gebeuren dan voor de historicus, die zich met het verleden bezighoudt.

André Gide heeft eens gezegd: „Il faut savoir si l’on est de ceux qui posent les questions ou bien de ceux qui apportent les réponses” (Men moet weten of men behoort tot degenen die vragen stellen dan wel tot hen die met antwoorden komen). Welnu, ik behoor tot de eerste categorie.

Maar nu rijst een andere vraag (die met de grens tussen historicus en journalist niets te maken heeft): willen de meeste mensen wel met vragen of voorstellen geconfronteerd worden? Dat dwingt hen tot nadenken, en zijn ze daar wel zo happig op? Volgens mij willen ze liever antwoorden horen – op voorwaarde dat ze die antwoorden kunnen aanvaarden dan wel verwerpen.

Als dat zo is, dan tast dit de premisse van de democratie – en van de vrije pers, die daarvan een onmisbaar bestanddeel is – aan. Die premisse is dat de mensen juist niet te dom, te moe, te lui of te onrijp zijn om over de vragen die hun voorgelegd worden, na te denken, te oordelen en te beslissen. De werkelijkheid is dat slechts weinigen – noem ze elites – daartoe bereid of in staat zijn. De democratie kan, met andere woorden, niet zonder elites. Het zijn de populisten die zonder kunnen.

Naschrift

Op 3 april noemde ik ook Wesselings boek, en daarbij beging ik twee onnauwkeurigheden.

Ik schreef dat hij als Leids hoogleraar weinig last had gehad van de studentenrevolutie van de jaren 60. Dat klopt slechts in zoverre als hij pas in 1974 hoogleraar werd en toen was de revolutie al voorbij.

Ik schreef ook dat Leiden geen Maagdenhuisbezetting had gekend. Dat klopt slechts in zoverre als Leiden geen Maagdenhuis kent, maar in 1969 werd een deel van het Academiegebouw wél enige tijd door studenten bezet.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de onlinediscussie op nrc.nl/heldring (Die reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).