Is het Israëlisch-Palestijns conflict nog op te lossen?

Al jaren strijd ik tegen de ‘oude’, nationalistische kijk op het Israëlische verleden.

Als de ‘nieuwe’ geschiedenis weer aan kracht wint, is verzoening mogelijk.

Laat me beginnen te zeggen waar ik sta. Ik heb nooit de legitimiteit van Israël binnen de grenzen van vóór 1967 in twijfel getrokken. Wat ik volledig verwerp, is het zionistische project dat die grenzen te buiten gaat. Ik beschouw de bezetting als de hoofdoorzaak van alle problemen en ik steun vestiging van een onafhankelijke Palestijnse staat naast de staat Israël.

Ik behoor tot een kleine groep Israëlische wetenschappers die de ‘nieuwe geschiedenis’ uitdragen – tegenover de standaard zionistische versie van de geboorte van Israël en oorzaken en verloop van het Arabisch-Israëlische conflict.

Die ‘oude geschiedenis’ is nationalistisch. Een nationalistische versie van de geschiedenis heeft meestal twee politieke doelen: het volk verenigen achter het regime en een positief beeld geven aan de rest van de wereld. In dat opzicht is zo’n versie simplistisch, selectief, zelfingenomen en vol eigenbelang.

De nieuwe geschiedenis kwam eind jaren tachtig op met de publicatie van boeken van Ilan Pappé, Benny Morris en ondergetekende. Het debat richtte zich vooral op 1948. We deden een frontale aanval op de mythes en halve waarheden over de geboorte van Israël en de eerste Arabisch-Israëlische oorlog. Onze kritiek breidde zich ook uit tot de periode na 1948. In 2000 beschreef ik de eerste vijftig jaar van de jonge natie. Hoofdthema van dat boek, The Iron Wall: Israel and the Arab World, was dat Israël wel erg makkelijk militaire middelen heeft ingezet en steeds heeft geaarzeld serieuze diplomatieke stappen te zetten.

In Israël heeft deze ‘nieuwe geschiedenis’ vooral vijandige reacties opgeroepen. Maar een terugblik op de afgelopen twintig jaar laat zien dat er op zeker vier niveaus een duidelijk effect is geweest. Op de eerste plaats was dit het startschot voor een stille revolutie in het geschiedenisonderwijs op de meeste middelbare scholen in Israël. Op de tweede plaats kunnen gewone Israëliërs nu begrijpen hoe Arabieren tegen Israël aankijken en hoe zij de catastrofe die hen in 1948 overkwam, ervaren. Ten derde bood dit Arabieren een visie op het conflict die zij ervoeren als oprecht en waarheidsgetrouw, in plaats van de gebruikelijke propaganda van de overwinnaars. Ten vierde was het een stimulans voor een evenwichtiger bestudering van de geschiedenis aan Palestijnse zijde.

Op al deze verschillende manieren droeg de ‘nieuwe geschiedenis’ bij aan een klimaat, aan beide kanten, dat voortzetting van het Oslo-vredesproces in de hand werkte. De mislukking van Camp David in 2000 leidde tot nieuwe verwijten over en weer en tot een nieuwe nationalistische mythe: dat er geen Palestijnse partner voor vrede is. Dit leidde weer tot de opkomst van Ariel Sharon, die de doctrine van permanent conflict voorstond. De Al-Aqsa intifada en de terugkeer van geweld lieten weinig heel van de Oslo-akkoorden en brachten het vredesproces volledig tot stilstand.

Een enkele uitzondering daargelaten blijven Israëliërs zichzelf niet zien als de agressors maar als de onschuldige slachtoffers van Palestijns geweld. Hoe sterker Israëliërs zich bedreigd voelen, des te meer vallen ze terug op een simplistische en door eigenbelang gekleurde blik op het verleden, en des te intoleranter worden ze tegenover afwijkende meningen. Maar juist in dat soort tijden zijn afwijkende meningen hard nodig. Xenofobische en zelfingenomen nationale verhalen wakkeren dit tragische, eeuwenoude conflict aan. Een complexer en eerlijker begrip van het verleden is essentieel willen we op z’n minst de mogelijkheid op verzoening en een vreedzame samenleving behouden.

Avi Shlaim is hoogleraar Internationale betrekkingen aan de Universiteit van Oxford. Zijn laatste boek is ‘Lion of Jordan: King Hussein’s Life in War and Peace’.