In Romeinse tijd maalde men niet om identiteit

Te veel nadruk op de eigen identiteit, ongeacht de globaliserende wereld, is onverstandig, leert ons een vergelijking met de Bataven en het Romeinse succesrijk volgens Olivier Hekster.

In september van het jaar 9 werden in de buurt van Osnabrück drie Romeinse legioenen, ruim 15.000 soldaten onder leiding van hun generaal Varus, door Germanen in een hinderlaag gelokt en afgeslacht. Deze slag staat, ten onrechte, bekend als de slag bij het Teutoburgerwoud. De Romeinse expansie naar het Noordoosten van Europa kwam daarmee vervolgens tot een stilstand. Vanaf dat moment werd de Rijn de grens van misschien wel het succesvolste rijk dat Europa gekend heeft.

In 69-70 na Christus waren er opnieuw grote problemen aan de noordgrens van het Romeinse Rijk. De Bataven, trouwe inwoners van het rijk, onder leiding van Julius Civilis, trokken ten strijde tegen Rome. Na enkele successen van de opstandelingen, kregen Romeinse legers de overhand. Civilis stak zijn hoofdstad Oppidum Batavorum (Nijmegen) in brand, en vluchtte naar het Bataafse eiland (de Betuwe).

Deze opstand was een groot ideologisch voorbeeld voor de Bataafse Republiek die eind achttiende eeuw de Bataven als voor vrijheid strijdende voorouders presenteerde. Maar de Bataven waren een afsplitsing van een andere stam (de Chatten) die zich pas kort voor onze jaartelling op huidig Nederlands grondgebied vestigden en ‘Bataven’ werden. Ook sloot Bataaf-zijn andere culturen niet uit: Julius Civilis was tegelijkertijd Bataafse prins en Romeins burger.

De Bataafse identiteit, waar in de late achttiende en vroege negentiende eeuw zo veel nadruk op werd gelegd, ontstond door aanpassing aan de situatie en sloot Romeins burgerschap niet uit. Er zijn zelfs indicaties dat de opstand van de Bataven in eerste instantie het gevolg was van politieke strubbelingen in Rome zelf, en pas later een onafhankelijkheidsstrijd werd.

Natuurlijk bleef de opstand van 69-70 niet zonder gevolgen. Bataafse soldaten werden voortaan buiten het eigen woongebied gelegerd en in Nijmegen werd een Romeins legioen gestationeerd. Waar de opstand echter niet toe leidde, was een aanpassing van de manier waarop de Romeinen de integratie in hun rijk tot stand lieten komen; het Romeinse burgerrecht was en bleef uiteindelijk voor iedereen, ook opstandelingen, te verkrijgen. In 212 werden alle vrije onderdanen in het rijk Romeinse burgers. En zelfs vrijgelaten slaven waren Romeins.

Die verbindende Romeinse identiteit zou lang standhouden. Zelfs nadat in 410 de stad Rome werd verwoest door binnenvallende Germaanse stammen, schreef de Gallo-Romeinse dichter Rutilius Claudius Namatianus: „U hebt van verschillende volkeren één land gemaakt; u hebt een stad gemaakt van wat de wereld was.” Door de ‘romanisering’ van het rijk ontstond een overkoepelende identiteit en zelfs, tot op zekere hoogte, een gezamenlijke cultuur.

Maar romanisering werd niet van bovenaf opgelegd. Mensen namen die elementen van Romeins-zijn over die hen van pas kwamen. Zo kon Rutilius ook Gallo-Romein zijn. De Gallische identiteit paste zich aan de ontwikkelingen in de wereld aan, zonder dat daarmee eigenheid werd losgelaten. Sommige eigen gebruiken gingen door, andere werden aangepast, of losgelaten. Gallisch-zijn veranderde, zoals ook Romein-zijn zich ontwikkelde onder invloed van de vele nieuwe Romeinen.

In 193 besteeg de in Libië geboren keizer Septimius Severus de troon. De uit Egypte afkomstige goden Isis en Sarapis werden standaardonderdeel in de Romeinse religie. Aan de muur van Hadrianus zijn brieven uit circa 100 gevonden van de vrouw van de aanvoerder van een cohort Bataven. In het Latijn nodigt zij haar zus uit voor een verjaardagsfeestje.

Het Romeinse Rijk was geen ideale staat. Wie wil er wonen in een militaire dictatuur vol slavernij? Toch hebben door de eeuwen heen velen geprobeerd om de politieke, culturele en economische successen van Rome te evenaren, vaak met een expliciete verwijzing naar het oude Rome. Zo graveerde de Italiaanse regering ter gelegenheid van de ondertekening van de Europese grondwet op 29 oktober 2004 een marmeren plaquette, die in het Latijn stelde dat ‘de volkeren van Europa kunnen samensmelten tot één volk met één gedachte en één regering’. De werkelijkheid bleek weerbarstiger. Een van bovenaf opgelegde Europese identiteit was gedoemd te falen.

Maar de krampachtige hang naar een ‘eigen’ identiteit, volledig gericht op het eigen volk, los van enige context, lijkt nog zinlozer. Identiteit ontstaat niet in een vacuüm maar komt tot stand en ontwikkelt zich onder invloed van vreemden.

Een samenleving die een dergelijke ‘identiteit in beweging’ accepteert, is bindender dan een samenleving die geforceerd aan het eigen verleden vasthoudt en van daaruit huidige normen en waarden probeert te destilleren. Op dit moment ontstaat in Nederland een historische canon die de wereld grotendeels buiten beschouwing laat, een nationaal museum dat alleen vaderlandse geschiedenis centraal stelt en een populaire politieke beweging die vindt dat Nederlanders zich niet moeten aanpassen aan vreemde culturen.

De Bataafse opstand liep niet goed af voor de Bataven. Buiten een globaliserende wereld staan is nu nog onmogelijker (en misschien ook onwenselijker) dan onafhankelijkheid van de Romeinen tweeduizend jaar terug. Maar door de romanisering van de periferie van het Romeinse rijk ontstond een vernieuwde, maar daarom niet minder eigen, identiteit. Daar kunnen wij van leren.

Bewerkte versie van de diesrede ‘The limits of Rome’ die Olivier Hekster, hoogleraar Oude geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen, vanmiddag uitspreekt ter gelegenheid van de 85e verjaardag van deze universiteit.