In Fernando Meirrelles’ allegorie ‘Blindness’ ligt de kitsch op de loer

Het 61ste filmfestival van Cannes begon gisteren met een bespiegelende film over de 20ste-eeuw. Jury-voorzitter Sean Penn gaat op zoek naar de film die hem het meeste raakt.

Het heeft wel iets om het grootste en belangrijkste filmfestival van de wereld te openen met een film over blindheid. Maar die zelfspot zou pas echt geslaagd zijn als Blindness van Fernando Meirelles een betere film zou zijn. De regisseur van onder meer Cidade de Deus is er niet in geslaagd om een filmische vertaling te vinden voor de meesterlijke roman De stad der blinden van Nobelprijswinnaar José Saramago.

Een man wordt van het een op het andere moment getroffen door blindheid. Hij ziet alleen nog een witte, melkachtige waas, die Meirelles in overbelichte beelden probeert te vangen. Dat blijkt het begin te zijn van een epidemie. De geïnfecteerden worden afgezonderd, opgesloten en aan hun lot overgelaten. Julianne Moore speelt de vrouw van een oogarts (Mark Ruffalo) die zelf blind is geworden. Zij kan nog wel zien, maar laat zich samen met hem deporteren. Met haar bleke huid en blonde haar past Moore precies in de Meirelles’ witte wereld. Maar ze stopt zoveel grote emoties in de rol, dat kitsch op de loer ligt.

Saramago’s allegorie, waar het filmfestival van Cannes gisteravond mee opende, is een superieure en ijskoude bespiegeling op de mechanismen die in de twintigste eeuw tot de kampen van Hitler en Stalin hebben geleid. Ook zijn reflecties op de overlevingsmechanismen binnen de ‘kampen’ zijn weinig opbeurend. De film vertelt het verhaal in een semirealistische stijl, waardoor de gebeurtenissen hun symbolische kracht verliezen en licht belachelijk overkomen. De momenten waarop mensen met blindheid worden geslagen zijn wonderlijk gespeend van drama. De allegorie is vervangen door moralistische, mierzoete bespiegelingen, onder meer in een voice over van Danny Glover, over de menselijke natuur en de noodzaak van sociale cohesie.

Maar er is ook goed nieuws. Werkelijk prachtig is Waltz with Bashir van de Israëlische filmmaker Ari Folman. De animatiefilm is een autobiografisch verslag over de filmmaker ‘Ari’ die zijn eigen herinneringen als jonge dienstplichtige tijdens de oorlog in Libanon onderzoekt begin jaren tachtig, of juist het ontbreken van zulke herinneringen. Om meer terug te kunnen halen, gaat hij praten met andere dienstplichtigen. Daarbij komt hij ook in Nederland uit, waar een van zijn oude kameraden woont en een fortuin heeft verdiend met zijn falafel-imperium.

Folman beeldt niet alleen de waanzin van de oorlog uit, hij levert ook bespiegelingen over de duistere wegen van het geheugen, dromen en hallucinaties. De film eindigt als een aangrijpende aanklacht tegen het bloedbad dat christelijke falangisten, onder het oog van het Israëlische leger, aanrichtten in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in september 1982. Niet iedereen in Israël zal daar waardering voor kunnen opbrengen. Maar ook voor Folman zelf moet dit onderzoek uiterst pijnlijk zijn geweest. De film zoemt in Franse filmkringen al maanden rond als kanshebber voor de Gouden Palm.

Juryvoorzitter Sean Penn zei gisteren tijdens de persconferentie dat hij en zijn collega’s nadrukkelijk op zoek gaan naar „filmmakers met een scherp besef van de tijd waarin ze leven.” Hij greep de gelegenheid aan om goed te foeteren op George Bush en luid en duidelijk de film aan te prijzen die dit jaar op zijn speciale verzoek wordt vertoond op het festival, The Third wave, over hulpverleners in Sri Lanka na de tsunami: „Een film die meer dan elke andere film van de laatste jaren duidelijk maakt waar het in het leven om gaat.”

De vraag of het niet lastig was dat hij ook Changeling van zijn vriend Clint Eastwood voor de competitie moet beoordelen, beantwoordde hij met een volmondig nee. „We gaan op zoek naar de film die ons het meest raakt. Maar als dat zijn film blijkt te zijn, ga ik hem om ook niet uitsluiten.” Penn verklaarde te willen zoeken naar „het hart” van iedere film.