‘Het lukt ons niet de lijken uit de bomen te halen’

Stortregens maken het de overlevenden van cycloon Nargis nog moeilijker. Zij hebben vaak geen huizen en moeten betalen voor noodhulp. De dorpen zijn het zwaarst getroffen.

Een jonge overlevende van cycloon Nargis in de regio rond Bogalay. Het Rode Kruis vreest een tweede golf doden als hulp uitblijft. Foto AFP A young survivor of the cyclone Nargis wait for relief supplies in Bogalay on May 13, 2008. The United Nations warned on May 13 that Myanmar faced a "second catastrophe" after its devastating cyclone, unless the junta immediately allows massive air and sea deliveries of aid. AFP PHOTO/ Khin Maung Win AFP

De meeste dode lichamen zijn inmiddels naar zee gedreven. Maar nog steeds zien de overlevenden van cycloon Nargis, die het zuiden van Birma vorige week zaterdag trof, gezwollen lichamen van slachtoffers voorbijdrijven. Ook dode waterbuffels liggen in de buiten hun oevers getreden rivieren, waar de overlevenden zich noodgedwongen nog steeds in wassen en in vissen. „We kunnen niets doen aan de lijken die vastzitten in de bomen”, zei een reddingswerker tegen radiostation Democratic Voice of Burma. „Het lukt ons niet ze eruit te halen.” 

In de zuidelijke Irrawaddy-delta heeft Nargis de grootste ravage aangericht. De regio, normaal al moerassig, is alleen nog te bereiken per boot. De steden Bogalay en Labutta zijn volgens ooggetuigen onherkenbaar verwoest. „Op weg naar Bogalay heb ik geen huis gezien dat nog een dak had”, zei hoofd Bridget Gardner van het Rode Kruis tegen The Guardian. Nu de moessonregens zijn begonnen, heeft onderdak volgens haar prioriteit. Op een van de plaatsen die zij van het militaire regime mocht bezoeken, zaten tienduizend mensen in de stromende regen, zonder dak om te schuilen. Omdat lokale mensen rijst uitdelen is voedsel volgens haar niet het probleem, maar schoon drinkwater. Het Rode Kruis vreest voor een tweede golf doden door ziektes, als er niet snel meer hulp komt.

In de dorpen ten zuiden van Bogalay en Labutta, waar vissers en rijstboeren wonen in bamboehutten, is de situatie nog erger dan in de steden. Complete dorpen zijn weggevaagd. Dorpshoofd Myint Oo van Ma Ngay Gyi zag de lucht donker worden, voordat de cycloon overkwam. „De wind was zo luid dat je het breken van een boomstam niet eens kon horen”, vertelde hij aan een journalist van The New York Times, die undercover het gebied heeft bereikt. Dorpsmensen scholen bij elkaar in hun huizen terwijl de vloedgolven ’s nachts overkwamen, sommige twee meter hoog. Volgens Oo vielen de meeste slachtoffers onder boeren die in open gebied bij hun rijstvelden verbleven en naar het dorp probeerden te rennen. Hij heeft 70 van de 250 doden in zijn dorp in een massagraf begraven, de anderen zijn weggespoeld.

De overlevenden zijn zwaar getraumatiseerd. „Ik probeerde de handen van mijn kleinkinderen vast te houden toen het water ons raakte, maar de golven waren groot en sterk en we moesten elkaar loslaten. Al mijn kleinkinderen zijn verdwenen in de golven”, zegt een overlevende van de ramp uit Kungyangong tegen het onafhankelijke blad The Irrawaddy.

Hulp van de regering of uit het buitenland bereikt het gebied nauwelijks. Veel overlevenden krijgen bedorven voedsel. Verschillende mensen in het rampgebied berichten dat voedsel en metalen nooddaken niet bij de echte hulpbehoevenden terechtkomen, en dat overheidsfunctionarissen er geld voor vragen. In Bogalay verkopen ze volgens Reuters nooddaken voor 5 dollar per stuk, meer dan de meeste mensen kunnen betalen. Een portie rijst zou 55 dollarcent kosten.

Ook berichten Reuters en Democratic Voice of Burma over overlevenden die verdreven worden van de plaatsen waar ze naartoe zijn gevlucht. Ook zijn er berichten over gedwongen arbeid in hulpcentra van de staat. „Ze moeten stenen breken op bouwplaatsen”, zei overlevende Ko Hla Min tegen Reuters. „Daar krijgen ze 1 dollar per dag betaald, maar ze krijgen geen eten.”

Dit soort berichten zijn nauwelijks te controleren, doordat journalisten geen toegang krijgen tot het gebied. Verschillende verslaggevers en hulpverleners zijn bij gewapende politieposten teruggestuurd.