Zestig jaar Joods Tehuis

Vandaag is het zestig jaar geleden dat Israël begon. Op 15 mei 1948 liep het Britse mandaat over Palestina af, en de joden wisten wat er dan zou gebeuren. Dat gebeurde ook. Egypte, Jordanië, Irak en Syrië schoten hun Palestijnse moslimbroeders te hulp met de bedoeling om het ‘Joodse Tehuis’ (wat gaven de mensen vroeger toch schattige namen aan hun schattige plannetjes) zo snel mogelijk op te blazen. Maar onder leiding van kleine vechtjassen als Begin hadden de joden zich terdege voorbereid op de verdediging van iets dat nog niet eens bestond.

Ik ben opgegroeid met dat land. Tot ver voorbij de Suezcrisis van 1956 noemde iedereen het ‘de jonge staat Israël’. De oude Drees nam afscheid van de politiek, kreeg van de Partij van de Arbeid een pendule, maar bovenal ‘een reis naar de jonge staat Israël’.

In die tijd tekende Fritz Behrendt voor het oude Algemeen Handelsblad elke week een politieke prent waarop je Ben Gurion, Mosje Dajan of Golda Meir een groentetuintje zag wieden. Rondom loerden in dorre heuvels Arabieren, met een wapen op hun schouder. Ben, Mosje en Golda leken op blanke helden. De Arabieren in de heuvels waren net joden uit de Völkischer Beobachter.

Toen in 1967 de Zesdaagse Oorlog uitbrak zat ik toevallig in Krakau. Op een middag luisterde ik naar de Poolse radio die de top-100 van het Warschaupact uitzond. De manier waarop de muziek ineens stopte, en plaats maakte voor een nieuwslezersstem, herkende ik onmiddellijk als een veeg signaal. In het hotel hoorde ik dat er weer oorlog was, en ’s avonds begreep ik uit de krantenkoppen dat het Oostblok onvoorwaardelijk achter de Arabieren stond. Na twee dagen zonder betrouwbare informatie belde ik naar mijn vrouw, en vroeg of ik naar huis moest komen.

‘Waarom?’, antwoordde ze verbaasd.

‘Nou, er is toch oorlog?’, zei ik een beetje beledigd.

‘O’, sprak ze luchtig. ‘Maar die hebben we al gewonnen.’

We stonden achter Israël.

Kort daarna leerde ik Joseph kennen, een Tsjechische journalist die voor de Ha’aretz werkte. In ’39 was hij voor Hitler naar Engeland gevlucht, in ’45 keerde hij opgetogen terug, en in ’48 moest hij wéér vluchten, nu voor Stalin. Hij hield het kort uit in Amerika, en vestigde zich ten slotte zonder vreugde in het Joodse Tehuis. Hij sprak de taal niet en had twee tolken: eentje om z’n kopij uit het Tsjechisch in het Hebreeuws te vertalen, en de andere voor het omgekeerde. Maar Joseph, waarom in godsnaam twee? ‘Because, Jan, every Jew is more clever than any other Jew.’

Hij winkelde bij de Tsjechische kruidenier van Tel Aviv, en ’s avonds aten we vaak een schnitzel in het Tsjechisch eethuis. In 1968 was hij met z’n kofferschrijfmachine in het vliegtuig naar Praag gestapt, en daar is hij de hele Lente gebleven, tot de Russen kwamen en hij de retourvlucht boekte in de wetenschap dat het nu voorgoed voorbij was. Hij stierf vóór 1989. En Israël is geen jonge staat meer.

Gisteren las ik in de Volkskrant een column van Kader Abdolah die ‘Amerika’ heette, maar die eigenlijk over Israël ging, De sleutelzin luidde: ‘Sinds de stichting van de staat Israël is het geweld toegenomen’. Ik had net z’n biografie van Mohammad, de boodschapper, gelezen. Daar komen moslims in voor die allemaal deugen. En christenen die er ook mee door konden. De enigen waar je toen in Mekka en Medina voor moest uitkijken waren de joden. Dat wordt er om de paar bladzijden ingeboodschapt.

Ik hield al niet van die man, met z’n aanstelleritisproza. Maar hij moet zeker vanwege 60 jaar Israël met z’n rotpoten van m’n Tsjechische rotjoden afblijven.

Lees alle columns van Blokkerop nrcnext.nl/blokker