Te modern en nog vrouw ook

Pearl Perlmuter stond lang in de schaduw van haar man Wessel Couzijn, die ook beeldhouwer was. Haar doorbraak kwam in 1988.

De roem kwam laat, voor beeldhouwster Pearl Perlmuter. Ze was 73 jaar toen ze in 1988 haar eerste museale overzichtstentoonstelling kreeg in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. „Beter laat dan nooit”, was een van haar gevleugelde uitspraken. Woensdagavond is de Amerikaanse kunstenaar in Amsterdam na een kort ziekbed overleden.

Perlmuter stond lange tijd in de schaduw van Wessel Couzijn, de beeldhouwer met wie ze van 1945 tot 1974 was getrouwd. Ze ontmoette de gevluchte joods-Nederlandse student in 1942 in New York, in de beeldhouwklas van Ossip Zadkine, bij wie ze beiden studeerden. Toen Couzijn na de oorlog terugkeerde naar Amsterdam, ging Perlmuter met hem mee.

Maar het Nederlandse kunstklimaat was in die tijd zeer conservatief. De Nederlandse Kring van Beeldhouwers weigerde in 1953 haar lidmaatschap; figuratie was de norm en Perlmuter, die abstracte bronssculpturen maakte, vond er weinig begrip voor haar werk. Als vrouw had ze het bovendien niet gemakkelijk. Ze moest een atelier delen met haar man, omdat ze niet in aanmerking kwam voor een eigen werkruimte. En bij opdrachten en gemeente-aankopen werd ze gepasseerd omdat Couzijn immers al opdrachten kreeg en het gezin dus inkomsten genoeg had. „In de jaren vijftig sprak het vanzelf dat ik het huishouden deed en onze dochter opvoedde”, zei Perlmuter in 2001 in een interview in deze krant. „In de jaren zeventig begon ik door de vrouwenbeweging te beseffen dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend was.” Na haar scheiding werd ze actief in de Stichting Vrouwen in de Beeldende Kunst.

Pearl Perlmuter groeide op in de New Yorkse wijk The Bronx, in een orthodox joods gezin waarin weinig aandacht was voor kunst. Onder druk van haar familie koos ze voor een rechtenstudie. Terwijl Perlmuter overdag op een advocatenkantoor werkte, volgde ze ’s avonds lessen tekenen, schilderen en beeldhouwen aan de Arts Student League in New York.

Met haar expressionistische bronzen beelden behoorde Perlmuter, samen met kunstenaars als Lotti van der Gaag, Shinkichi Tajiri en André Volten tot de kleine voorhoede van beeldhouwers die in Nederland het modernisme omarmden. Ze maakte sculpturen met scherpe, puntige uiteinden, in uiteenspattende vormen en dynamische bewegingen – beelden vol drama en agressie, met titels als Ingesloten, Verzet of Bevrijding. Bijna al haar werken draaiden om het thema ‘strijd’.

In 1968 volgde Perlmuters eerste solotententoonstelling bij Galerie Espace in Amsterdam. De grote doorbraak kwam na de tentoonstelling in Arnhem, in 1988. Het Kröller-Müller kocht in 2000 twee van Perlmuters beelden aan en organiseerde in 2003 een groot retrospectief. Ook kreeg ze voor het eerst van haar leven een opdracht voor een sculptuur in het Overijsselse Heeten, waar ze ruim twintig jaar woonde. En in 2001 werd haar beeld Schapeman (1967) opgenomen in de sokkelroute in Den Haag.

Tot het laatst werkte Perlmuter door aan haar oeuvre. Ze had plannen voor een sculpturenroute door het centrum van Amsterdam. Want, zei ze: „Kunstenaars gaan nooit met pensioen.”