Smachten naar koestering in sombere dans

Dans: Cullberg Ballet, werk van J. Inger. 9/5, Muziektheater, A’dam.

Terwijl men buiten genoot van een zwoele zomeravond, waande je je in Het Muziektheater gevangen in een eindeloze poolnacht. Zo komt het programma van het Cullberg Ballet over, met twee donkere, somber stemmende balletten.

Niet zo handig samengesteld dus, deze double-bill met werken uit 2005 van Johan Inger, scheidend artistiek leider van het Zweedse gezelschap en voormalig lid van het Nederlands Dans Theater. In beide stukken leunt Inger sterk op de dramatische suggestie van de muziek van gitarist/componist Stefan Levin, die maar mondjesmaat weerklank vindt in de choreografie. Zowel Negro con flores, voor vijf dansers in flodderhemdjes en lubberbroeken, als het grotere As if (dertien dansers) schetst algemene beelden van intermenselijk verkeer. Eén ding wordt duidelijk: het leven is een worsteling, en we begrijpen niet veel van elkaar.

In Negro con flores blijkt dat uit de manier waarop de dansers elkaar benaderen: het is een voortdurend verschikken, verzetten en verleggen van ledematen. Toenadering is lastig, zelfs met een bos bloemen. En dat terwijl iedereen ernaar smacht gekoesterd te worden, zoals blijkt wanneer de groep samenklit onder een grote broedlamp die grillig licht verspreidt.

In As if bewegen de dansers, gekleed in verschillende jurkjes, rokken, broeken en voetbalshorts, in wisselende formaties rond een langzaam ronddraaiende muur. Die biedt vele mogelijkheden: verschijnen en verdwijnen, erop klimmen, eraf rollen. Dat alles gebeurt dan ook, en ook verder biedt het stuk weinig verrassingen. Alleen het einde is pakkend, als het ensemble op een kluitje de draaimuur steeds sneller laat zwenken, terwijl aan de andere kant één vrouw kalm voortdanst.

Natuurlijk is dat niet het enige treffende aan de voorstelling. Integendeel: Inger is ongelooflijk begaafd in het aaneenschakelen van grote, vloeiende bewegingen, met hier en daar kleine, abrupte, vaak grappige accenten. Hij heeft ook een onuitputtelijk arsenaal aan koddige loopjes, en daarin is (nog steeds) de invloed van de, eveneens Zweedse, choreograaf Mats Ek te herkennen.

Er valt dus genoeg te genieten, ook dankzij de uitstekende dansers van het Cullberg Ballet.

Toch is goed te begrijpen dat Inger de behoefte voelt meer te focussen op zijn choreografische werk, iets waarvoor hij als artistiek leider te weinig tijd overhield. In elk geval kunnen deze werken een strakkere dramaturgie gebruiken. Zowel voor als na de pauze dwalen de gedachten regelmatig af naar terras en rosé.