Pervers Angelsaksisch

De Angelsaksische – en veel bejubelde – variant van het kapitalisme heeft het station van perversie bereikt. Inkomens- en vermogensverschillen hebben in Amerika een exotische omvang. Eén procent van de huishoudens bezit veertig procent van alle vermogen. De baas van ’s werelds grootste obligatiefonds, Bill Gross van Pimco, is ondubbelzinnig: „Als de vrucht van arbeid slecht wordt verdeeld, als de rijken rijker worden en midden- en lagere klasse knokken om het hoofd boven water te houden, zoals nu duidelijk het geval is, dan stort het systeem uiteindelijk in elkaar; de boten stijgen niet gelijkelijk met het water; het centrum houdt niet.”

In Londen is het maar een klein beetje beter. Omwille van de City en een anti-arbeideristisch modernisme heeft Labour destijds al meteen een houding aangenomen van „intense ontspannenheid jegens mensen die obsceen rijk worden”, in de woorden van toenmalig partij-ideoloog Peter Mandelson. Tony Blair zei het met zijn demagogisch talent zo: „Wij worden niet gedreven door de ambitie om David Beckham minder te laten verdienen.” Alsof dat er wat mee te maken had.

Deze ontwikkeling is al enkele decennia aan de gang, met tempo- versnellingen bij elke hoogconjunctuur. Verklaringen voor deze trend zijn er te over: goedkope arbeid elders in de wereld speelt een rolletje, topsalarissen spelen een stevige rol, de omschakeling van salarissen naar vermogenswinsten – opties, aandelen – nog meer. Ingebed is deze ontwikkeling in een dominante ideologie van herwonnen levenskracht van het individu en het heeft vele ‘helden-van-onze-tijd’ voortgebracht.

Een van die helden is Nicholas Ferguson – baas van SVG Capital – die onlangs een paar collega’s ergerde met de opmerking dat het „eigenlijk unfair is” dat hij minder belasting betaalde dan zijn werkster. Een nobel inzicht, al werd het dan pas verworven toen de teller het miljard naderde.

Waarom houdt ongelijkheid zolang stand? En waarom is nu dan misschien de grens bereikt?

De meeste economen houden het erop dat een lange periode van lage inflatie met gestage economische groei voor de truc heeft gezorgd. Huizenprijzen stegen en mensen konden steeds meer lenen, oftewel de middenklasse kon ook met stagnerende salarissen blijven floreren dankzij groeiend vermogen.

Dat is nu voorbij, de rente is gestegen en de huizenprijzen zijn gedaald. Vandaar Bill Gross’ voorspelling: het centrum houdt niet. Gematigd linkse politici in Europa lopen wat dit betreft nog een beetje achter. Zij werden steeds aangetrokken door liberaal economisch beleid, dat immers mooie groeicijfers produceerde en zij kennen geen andere dan achterhaalde alternatieven uit de traumatische jaren van de zich klem gereden verzorgingsstaat.

Maar of nu inderdaad de grens is bereikt? Er zijn in Amerika geen rellen, steden staan niet in brand als in 1968 en een publieke erkenning dat de toekomst er niet zo goed uitziet, is in Amerika bijna zoiets als geloofsafval en landverraad tegelijk. Bovendien, als een procent van de huishoudens veertig procent van alle vermogen bezit dan heeft die een procent een machtige stem. En een alternatieve ideologie ontbreekt ook – er is slechts irritatie, nog geen lonkend perspectief, geen verhaal.

Amerikaanse presidentskandidaten ruiken dat er wat smeult. Zowel John McCain als Hillary Clinton kwam al met het idee om deze zomer aan de pomp een rondje goedkope benzine weg te geven. De Democraten flirten met protectionisme, wat natuurlijk nog schadelijker is dan dat rondje benzine van de zaak, maar kiezers eveneens naar de mond praat. Een genuanceerde studie van Robert Lawrence (Blue Collar Blues. Is trade to blame for rising U.S. income inequality?) wordt door deze en gene misbruikt om verworvenheden als de Noord-Amerikaanse vrijhandelsassociatie, Nafta, in twijfel te trekken. Op de website van de Financial Times kruisen economen nu al weken de degens met elkaar en zelfs een mogelijke Democratische minister van Financiën als Larry Summers moet het er ontgelden omdat hij niet ferm genoeg dat kandidatengeflirt met protectionisme een halt toe zou roepen.

Protectionisme is dus geen oplossing, hooguit een riskante verleiding. Maar wat dan wel?

Ook globalisering kun je niet een tijdje stil zetten. Je kunt aan China en India moeilijk vragen om de boel maar weer te sluiten. Een nieuwe president zou een grootscheeps revitaliseringsprogramma kunnen omarmen: de infrastructuur van het land is versleten, de afhankelijkheid van dure energie onverantwoord groot en het onderwijs buiten de topinstituten matig. Dit zou helpen. maar dat kost wel allemaal tijd.

Een herverdeling van fiscale lusten en lasten gaat sneller, ligt ook voor de hand. Alleen kan zelfs Amerika zoiets niet meer helemaal op eigen houtje. Overal zijn immers belastingen op kapitaal en bedrijfswinst omlaag gegaan om maar zo aantrekkelijk mogelijk te blijven. Een fiscalist kan zo uitleggen waarom een puissant rijk investeringsfonds als KKR niet thuis in New York, maar in Amsterdam aan de beurs staat.

Ommekeer van zo’n trend van decennia vereist afstemming met overheden van allerlei ‘veilige havens’ van Singapore tot Dubai, waar infrastructuur voor wealth management is ingericht. Maar bovenal met Europese landen, die hopeloos verdeeld zijn over het onderwerp en soms nog leven in de jaren negentig – privatisering, afrekening met de potverterende verzorgingsstaat, etcetera.

Dertig jaar geleden – juni 1978 – begon in Californië de grote beweging tegen de staat, tegen de publieke sector, tegen het Amerikaanse equivalent van sociaal-democratie. Proposition 13 heette de opstand van de middenklasse, aangevoerd door Ronald Reagan, om in één klap per volksstemming de staat van zijn belastinginkomsten te ontdoen, van zijn nutsmonopolies, van zijn bureaucratie. Het werd een doorslaand succes.

Het liep zelfs helemaal uit de hand.

Reageren kan op nrc.nl/knapen