‘Kunst moet je maken van de echte wereld’

Alledaagse voorwerpen kunnen kunst zijn. De Amerikaan Robert Rauschenberg was een wegbereider van de PopArt.

Een veelzijdig kunstenaar, zo is Robert Rauschenberg vaak genoemd. Maar die kwalificatie is een understatement. Rauschenberg was een alleskunner. Hij schilderde, beeldhouwde, fotografeerde, maakte assemblages en zeefdrukken, ontwierp kostuums en decors, bedacht choreografieën waarin hij zelf ook optrad – op rolschaatsen – en werkte in zijn latere jaren als componist. Voor Rauschenberg hadden al die verschillende disciplines geen grenzen, hij gebruikte ze moeiteloos door elkaar heen. Zijn beroemde Combine paintings uit de jaren vijftig, waarbij hij objecten op het doek plakte, waren geen schilderijen maar ook geen sculpturen. Ze waren beide: een hybride, nieuwe kunstvorm.

Robert Rauschenberg (1925) is maandag thuis in Florida overleden aan een hartaanval. Hij is 82 jaar geworden. Samen met Jasper Johns wordt hij beschouwd als de wegbereider van de Amerikaanse PopArt. Rauschenberg bracht in de jaren vijftig het echte leven de kunst binnen, bijvoorbeeld door middel van Coca-Colaflesjes. Al in 1953 verwerkte hij bestaande, gebruikte voorwerpen in zijn assemblages: T-shirts, sokken, verkeersborden, kartonnen dozen, kalenders, krantenfoto’s, knipperende lampen en opgezette dieren – alles was bruikbaar. Zo bestond het werk Monogram, 1955-59 uit een opgezette angorageit met een autoband om zijn middel die op een collage stond. En op Canyon (1959), een van zijn bekendste werken, zat een complete adelaar geplakt. „Ik wil niet dat een schilderij lijkt op iets dat het niet is”, zei Rauschenberg in een interview. „Ik wil dat het lijkt op iets dat het is. En ik denk dat een schilderij meer op de echte wereld lijkt wanneer het gemaakt is van de echte wereld.”

De wortels van Rauschenbergs oeuvre liggen in het Abstract Expressionisme, de stroming die de Amerikaanse kunst sinds de late jaren veertig domineerde. Op zijn eerste solotentoonstelling in de New Yorkse Betty Parsons Gallery had Rauschenberg in 1951 een serie witte monochrome doeken geëxposeerd. Niet vanwege de pictorale kwaliteiten van het witte vlak, maar omdat de schaduwen er volgens de kunstenaar zo mooi op speelden. In datzelfde jaar maakte hij een serie zwarte en rode schilderijen waarbij kranten onder een dikke laag email op het doek geplakt zaten. Critici noemden het aftreksels van het werk van Willem de Kooning en Jackson Pollock, maar in feite waren het net zo goed hommages als parodieën. Datzelfde geldt voor Rauschenbergs meest radicale werk, Erased De Kooning Drawing uit 1953, waarvoor hij Willem de Kooning om een originele tekening had gevraagd. Toen hij die tot zijn grote verbazing kreeg, gumde Rauschenberg hem uit en presenteerde het resultaat als zijn eigen werk. Met die actie maakte hij duidelijk waar hij vandaan kwam, maar ook dat hij van plan was een heel andere richting in te slaan dan de abstract expressionisten.

Van groot belang voor de vorming van zijn kunstenaarschap was de tijd die Rauschenberg in 1949 doorbracht op Black Mountain College, een commune annex kunstacademie in de heuvels van North Carolina. De Duitse Bauhaus-kunstenaar Josef Albers gaf daar les, en tot de studenten behoorden onder meer kunstenaar Jasper Johns, componist John Cage en choreograaf Merce Cunningham – met wie Rauschenberg later nog lange tijd zou samenwerken. Rauschenberg noemde de strenge modernist Albers zijn belangrijkste leermeester, van wie hij leerde respect te hebben voor verschillende materialen en nieuwe media. Maar het was Cage die zijn interesse wekte voor de readymades van Marcel Duchamp en voor het Zenboeddhisme. De leegte van de witte schilderijen die Rauschenberg begin jaren vijftig maakte zou je kunnen vergelijken met de leegte in Cage’s beroemde stilte-muziekstuk 4’33”.

Na Black Mountain College verbreedde Rauschenberg zijn werkterrein. Samen met Jasper Johns, met wie hij een appartement in Lower Manhattan deelde, verzorgde hij etalages voor Bonwit Teller en Tiffany, onder het pseudoniem Matson Jones. Tussen 1954 en 1965 toerde hij regelmatig de wereld rond met de Merce Cunningham Dance Company, waarvoor hij de decors en kostuums ontwierp. Daarnaast was hij in 1966 betrokken bij de oprichting van Experiments in Art and Technology (EAT), een organisatie die samenwerking tussen wetenschappers en kunstenaars stimuleerde.

Het geld dat Rauschenberg met zijn kunst verdiende, spendeerde hij grotendeels aan goede doelen. Miljoenen gaf hij weg aan organisaties voor vrouwenrechten, medisch onderzoek en democratische politici. In 1970 stichtte hij Chance Inc, een organisatie voor noodlijdende kunstenaars, en in zijn enorme atelier op het eiland Captiva in Florida richtte hij ook werkruimtes voor anderen in. Door de jaren heen kocht Rauschenberg steeds meer land op het eiland op, waardoor hij uiteindelijk 300 meter strand en negen huizen bezat.

Met zijn allesomvattende oeuvre is Rauschenberg van groot belang geweest voor veel kunstenaars na hem. Er is geen Amerikaanse kunstenaar, zei ooit Jasper Johns, die zoveel heeft uitgevonden als Rauschenberg. Hij liet zien dat alledaagse voorwerpen en zelfs afval als materiaal voor een kunstwerk kunnen dienen – een idee dat nu door menig hedendaags kunstenaar is overgenomen. „Ik heb echt medelijden met mensen die vinden dat zeepbakjes of spiegels of colaflesjes lelijk zijn, want ze worden er iedere dag door omgeven en dat moet ze diep ongelukkig maken.”