Knuffels voor Birma van de nukubu’s

Het woord staat nog in geen enkele lijst, maar sinds gisteravond weet Nederland dat wij allemaal nukubu’s zijn. Met die afkorting maken militairen in Kamp Holland onderscheid tussen henzelf en de ‘nutteloze kutburgers’ die geen idee hebben van de werkelijkheid van de missie in Uruzgan.

Synoniemen van de nukubu zijn klobu (‘kloteburger’) en klebu (‘kleffe burger’). Ze werden opgetekend door de acteurs Leopold Witte en Geert Lageveen, die voor theatergezelschap Orkater een voorstelling aan het schrijven zijn over het dagelijks leven van de Nederlandse militairen in Afghanistan. In De wereld draait door deden beiden, net terug, verslag van de eerste indrukken tijdens hun onderzoek ter plaatse.

Witte en Lageveen hebben met de soldaten weinig gesproken over de zin van de missie. Die bestaat volgens hen uit een simpele doelstelling: heel terugkomen. Of het lukt om daar iets te bereiken voor de bevolking, dat is meer een zorg voor de nukubu’s.

De afkorting doet denken aan de scheldnaam naftos (‘Noord-Afrikaanse teringlijers op scooters’) die een paar jaar geleden in zwang was bij de Amsterdamse politie. Mannen in uniform die in de frontlinie staan hebben kennelijk behoefte frustratie over hun gevoel van onmacht af te reageren in grove termen die superioriteit uitdrukken. Tegelijkertijd weten ze maar al te goed dat ze op weinig begrip daarvoor hoeven te rekenen, zowel bij hun eigen leiding als in de burgersamenleving, dus praten ze in code.

Maar de jongens en meisjes in Uruzgan lieten de acteurs ook weten blij te zijn dat iemand interesse heeft in hun werkomstandigheden en een poging onderneemt om hun verhaal thuis te vertellen. Openheid staat sinds kort hoog op de agenda, ook op die van de legerleiding.

En als je de bijna ontroerend naïeve opvattingen in de Nederlandse samenleving over de rest van de wereld beziet, dan kun je je wel iets voorstellen bij het cynisme in de krijgsmacht.

Neem nu Birma. Het ziet ernaar uit dat de cycloon Nargis daar meer dodelijke slachtoffers heeft geëist dan de tsunami van 2004 in heel Azië. Maar de teller van de inzamelingsactie van het Rode Kruis blijft vooralsnog steken op 400.000 euro, een diepterecord, vermoedelijk wegens het ontbreken van rampbeelden op de televisie.

Daarentegen maakte Netwerk (EO) gisteren wel een reportage over een initiatief van het Spoorwegmuseum in Utrecht om speelgoed in te zamelen voor de Birmezen. In een container kunnen mensen hun knuffeldieren en puzzels achterlaten. De verslaggever sputtert nog tegen dat er misschien meer behoefte is aan schoon drinkwater en geneesmiddelen, maar initiatiefnemer Jeroen Vink gelooft dat spelen ook belangrijk is. Na het lenigen van de eerste noden zou het mooi zijn om hier en daar „een glimlach op het gezicht te toveren”. En als een volmaakte cliniclown poseert deze klebu met een speelgoedmedicijnenkoffertje dat het woord ‘Doctor’ vermeldt.

Bij Pauw en Witteman pleitte de Nederlandse bosbouwkundig ingenieur Willie Smits voor het redden van de orang-oetans van Kalimantan. Hij liet onder meer een foto zien van een geschoren vrouwtjesaap, Pony, die hij wist te bevrijden uit een bordeel. Vastgebonden aan stokken moest ze daar betalende bezoekers ter wille zijn. Chinezen in Surabaya mogen graag orang-oetan eten, want aan hun vlees wordt geneeskrachtige werking toegeschreven. Maar ja, de Indonesiërs vinden het weer heel raar dat Europeanen konijnen eten, van die lieve, harige beestjes.

De eveneens aan tafel zittende politica Rita Verdonk (Trots op Nederland) vond dit laatste gegeven een goede reden om te manen tot voorzichtigheid, als het gaat om interventie in landen met andere zeden en gewoonten. Straks worden wij nog op onze beurt gekapitteld omdat we een konijnenbout verorberen.

Ik geloof niet dat we daar erg bang voor hoeven te zijn. Vooralsnog exporteren wij, de nukubu’s, konijnen naar Azië, in de vorm van knuffels voor Birma.