Kerels als Benny Hinn

Het afgelopen weekeinde kreeg de Amerikaanse tv-predikant Benny Hinn het Antwerpse Sportpaleis twee dagen achtereen vol met telkens twintigduizend gelovigen.

Dat zoiets lukt in een land waarin het aantal evangelische christenen maar op achtduizend wordt geschat, lijkt een mirakel op zich. Hoe meer ik erover lees, hoe meer ik het betreur dat ik er niet bij was. Graag had ik met eigen ogen gezien wie deze veertigduizend aanhangers waren en hoe zij collectief gehypnotiseerd hysterisch werden.

Ook ben ik benieuwd of de sfeer van Het Licht mij in enige mate zou raken. Bij het zien van de eerste Blues Brothers-film kon ik me dat voorstellen. In het geval van Benny Hinn lijkt het me stug dat ik mij ooit zou kunnen laten meeslepen.

Zijn lijstje van ‘voorspellingen die niet uitkwamen’ is inmiddels wel erg lang. (Zo was hij er in 1989 van overtuigd dat alle homoseksuelen in de Verenigde Staten in 1995 zouden worden vernietigd door het vuur.)

Ook is het intussen algemeen bekend dat zich nogal veel werkloze acteurs bevonden onder degenen die na een duw of klap van Hinn genezen werden. Geen enkele rolstoelpatiënt werd ooit het podium op gerold. Van de echte deelnemers kwamen alleen mensen met hele vage ziekten in aanmerking voor een goddelijke aanraking.

Dat een element van persoonlijke verrijking – het jaarinkomen van Hinn wordt geschat op 200 miljoen dollar – wel eens een doorslaggevende rol zou kunnen spelen voor de goddelijke gezant, lijkt weinig gelovigen te storen.

De Amerikaanse vergoelijking hiervoor is, zo blijkt ook in het geval van andere tv-predikanten, dat het toch maar een rare God zou zijn als hij degenen die zo overtuigend in zijn naam spreken en genezen niet rijk zou maken.

Als al deze argumenten om Hinn niet te geloven geen indruk maken, zou je kunnen denken dat zijn krankzinnige oorlogstaal dat wel zou doen. De man gaat steeds heftiger tekeer tegen iedereen die hem bekritiseert, spreekt vloeken uit over hun kinderen en betreurt hardop dat God hem nog geen „machinegeweer van de Heilige Geest” gaf om de koppen van zijn tegenstanders eraf te knallen.

Dat godsdienst niet altijd is gericht op stille devotie en menslievendheid, is natuurlijk al wel meermaals bewezen, maar toch, dat de man veertigduizend fans heeft in België – een land met een in kunst- en politieke kringen misschien surrealistisch maar voor het overige toch vooral saai, nuchter en inmiddels seculier imago – blijft me verbazen. Ik wil dat zelf zien.

Mijn buurvrouw groeide op in een milieu van evangelische christenen en aanhangers van de pinksterbeweging. Zij heeft mensen brullend van het lachen of schokkend van het huilen ruggelings over de grond zien kronkelen en beschouwt dat niet als een prettige herinnering. Het geloof van haar ouders heeft ze met overtuiging afgezworen en mijn intentie om toeschouwer te worden bij dergelijke uitzinnige aangelegenheden, beantwoordt ze met een wat droeve blik. „Het zijn natuurlijk de kerels als Benny Hinn die het meest in de aandacht komen”, zegt ze. „Velen gaan er in op vanuit eerbare bedoelingen.” Een tragisch stukje familiegeschiedenis volgt.

En toch wil ik het zien, al zou het maar zijn om te ontdekken dat het grootste deel van het publiek bestaat uit mensen die net als ik gretig naar de overgave staren.