Israël moet eerlijker kijken naar verleden

De standaardversie van het eigen verleden in Israël zit vol nationalistische mythes, zegt Avi Shlaim. Israëliërs moeten hun zelfbeeld, dat zij onschuldige slachtoffers zijn, bijstellen.

In het Midden-Oosten was 1948 een jaar van triomf en tragedie. Voor Palestijnen is dit het jaar van de Nakba, de catastrofe: het verlies van hun thuisland en het begin van het vluchtelingenprobleem. Voor Israëliërs is 1948 het jaar van de Onafhankelijkheidsoorlog, de grootste joodse politieke, militaire en morele overwinning van de afgelopen twee millennia.

De verjaardag is een goed moment om na te denken over het verleden. Israëliërs discussiëren daar graag over, maar het debat blijft altijd binnen de familie. Zij hebben een blinde vlek voor het Palestijnse verhaal over de gebeurtenissen in dat jaar. Het zou een teken van rijpheid zijn om het verleden onder ogen te zien, met alle uitwassen erbij.

Laat me beginnen te zeggen waar ik sta. Ik heb nooit de legitimiteit van de staat Israël binnen de grenzen van vóór 1967 in twijfel getrokken. Wat ik volledig verwerp is het zionistische project dat die grenzen te buiten gaat. Ik beschouw de bezetting als de hoofdoorzaak van alle problemen en ik steun vestiging van een onafhankelijke Palestijnse staat naast de staat Israël.

Ik behoor tot een kleine groep Israëlische wetenschappers die de ‘nieuwe geschiedenis’ uitdragen – tegenover de standaard zionistische versie van de geboorte van Israël en oorzaken en verloop van het Arabisch-Israëlische conflict.

Die ‘oude geschiedenis’ is nationalistisch. ‘Natie’ is omschreven als „een groep mensen die worden verbonden door een verkeerd beeld van het verleden en haat jegens hun buren”. Dit citaat is wel, ten onrechte, toegeschreven aan de 19de-eeuwse Franse filosoof Ernest Renan. Wat Renan echt zei was: „Een verkeerd beeld van je geschiedenis hebben is onderdeel van het natie-zijn.” Een nationalistische versie van de geschiedenis heeft meestal twee politieke doelen: het volk verenigen achter het regime en een positief beeld geven aan de rest van de wereld. In dat opzicht is zo’n versie simplistisch, selectief, zelfingenomen en vol eigenbelang.

De nieuwe geschiedenis kwam eind jaren tachtig op met de publicatie van boeken van Ilan Pappé, Benny Morris en ondergetekende. Het debat richtte zich vooral op 1948. We deden een frontale aanval op de mythes en halve waarheden over de geboorte van Israël en de eerste Arabisch-Israëlische oorlog.

Pappé betoogde dat de Britten, toen hun mandaat over Palestina ten einde liep, niet de geboorte van een Joodse staat wilden voorkomen, maar de geboorte van een Palestijnse staat in de kiem wilden smoren. Benny Morris toonde aan dat de Palestijnse exodus weliswaar veel oorzaken had, maar dat Israël een deel van de verantwoordelijkheid draagt voor het vluchtelingenprobleem. Pappé ging veel verder dan Morris door te praten over een bewust Israëlisch beleid voor, met de woorden van de titel van zijn laatste boek, De etnische zuivering van Palestina.

Zelf heb ik geponeerd dat er in de kritieke fase van de strijd om Palestina in het geheim werd samengewerkt tussen koning Abdullah van Jordanië en de joodse Zionistische Beweging om verdeeldheid onder de Palestijnen te zaaien. Dat de politieke patstelling drie decennia nadat het geweervuur verstomde, is blijven bestaan, heeft in mijn ogen meer te maken gehad met Israëlische dan met Arabische onverzoenlijkheid.

Onze kritiek breidde zich ook uit tot de periode na 1948. In 2000 beschreef ik de eerste vijftig jaar van de jonge natie. Hoofdthema van dat boek, The Iron Wall: Israel and the Arab World, was dat Israël wel erg makkelijk militaire middelen heeft ingezet en steeds heeft geaarzeld serieuze diplomatieke stappen te zetten.

In Israël heeft deze ‘nieuwe geschiedenis’ vooral vijandige reacties opgeroepen. Maar een terugblik op de afgelopen twintig jaar laat zien dat er op zeker vier niveaus een duidelijk effect is geweest. Op de eerste plaats was dit het startschot voor een stille revolutie in het geschiedenisonderwijs op de meeste middelbare scholen in Israël. Op de tweede plaats kunnen gewone Israëliërs nu begrijpen hoe Arabieren tegen Israël aankijken en hoe zij de Nakba, de catastrofe die hen zestig jaar geleden overkwam, ervaren. Ten derde bood dit Arabieren een visie op het conflict die zij ervoeren als oprecht en waarheidsgetrouw, in plaats van de gebruikelijke propaganda van de overwinnaars. Ten vierde was het een stimulans voor een evenwichtiger bestudering van de geschiedenis aan Palestijnse zijde.

Op al deze verschillende manieren droeg de ‘nieuwe geschiedenis’ bij aan een klimaat, aan beide kanten, dat voortzetting van het Oslo-vredesproces in de hand werkte. De mislukking van Camp David in 2000 leidde tot nieuwe verwijten over en weer en tot een nieuwe nationalistische mythe: dat er geen Palestijnse partner voor vrede is. Dit leidde weer tot de opkomst van Ariel Sharon, die de doctrine van permanent conflict voorstond. De Al-Aqsa intifada en de terugkeer van geweld lieten weinig heel van de Oslo-akkoorden en brachten het vredesproces volledig tot stilstand.

Een enkele uitzondering daargelaten blijven Israëliërs zichzelf niet zien als de agressors, laat staan als de koloniale heersers, maar als de onschuldige slachtoffers van Palestijns geweld. Hoe sterker Israëliërs zich bedreigd voelen, des te meer vallen ze terug op een simplistisch en door eigenbelang gekleurde blik op het verleden, en des te intoleranter worden ze tegenover afwijkende meningen. Maar juist in dat soort tijden zijn afwijkende meningen hard nodig. Xenofobische en zelfingenomen nationale verhalen wakkeren dit tragische, eeuwenoude conflict alleen maar aan en verlengen het. Een complexer en eerlijker begrip van het verleden is daarom essentieel willen we op zijn minst de mogelijkheid voor verzoening en vreedzame samenleving in de toekomst behouden.

Avi Shlaim is hoogleraar Internationale betrekkingen aan de Universiteit van Oxford. Zijn laatste boek is ‘Lion of Jordan: King Hussein’s Life in War and Peace’.